De triomf van het MMS-ideaal

Aan de Amsterdamse letterenfaculteit vragen vele medewerkers zich dezer dagen ongetwijfeld af of er nog leven is na de bezuinigingen. Zij zullen het hopen, maar er niet helemaal zeker van durven zijn. Chaos, stuurloosheid en wanhoop zijn vooralsnog de belangrijkste resultaten van tien jaar financieel schaafwerk.

Zeker is men daarbij subtiel te werk gegaan. Zelden zijn de drastische voornemens waarmee elke bezuinigingsronde steevast inzette ook uitgevoerd. De operatie in de Amsterdamse letteren is een fraai voorbeeld. De opheffing van vijf studierichtingen is in tweede termijn vrijwel geheel vervangen door minutieus ciseleerwerk in de formatie van de hele faculteit. Het resultaat is een sterk vermagerd instituut, dat niettemin enige tijd de illusie kan koesteren dat er eigenlijk niets veranderd is.

Wat geldt voor deze faculteit, geldt voor de universiteit als geheel. Hoe aangeslagen zij ook is, haar oude opdracht heeft ze niet prijsgegeven: de incarnatie te zijn van het belangeloze weten, en de plaats waar haar novieten in geleerdheid worden ingewijd. Maar in werkelijkheid worden steeds meer van haar krachten aangewend voor steeds simpeler onderwijs, en is zij al lang niet meer de geprivilegieerde thuishaven van wetenschap en intellect. Nu haar uitzonderlijke pretenties een anachronisme geworden zijn, dreigt de universiteit op termijn aan haar eigen contradicties te bezwijken.

Achteraf gezien is de massale toestroom van studenten naar de universiteiten, die zo'n vijfentwintig jaar geleden begon, een fenomenale tijdbom onder het universitaire bestel gebleken. Ongetwijfeld kwam die ontwikkeling voort uit de beste intenties. Enerzijds moest er een einde komen aan het sociale elitarisme van het hoger onderwijs, en anderzijds moest het gehele Nederlandse volk tot een zo hoog mogelijk onderwijspeil worden opgestuwd. Het tweede doel diende mede om het eerste te bereiken.

Waartoe die opvoeding diende, vroegen weinigen zich af; intellectuele ontplooiing gold reeds op zichzelf als een mooi oogmerk. Korte tijd bood de explosief groeiende universiteit zelf werk aan de groeiende aantallen wetenschappelijk geschoolden. Totdat de wal het schip keerde en het wetenschappelijk onderwijs zijn eigen oogmerk moest prijsgeven. De twee-fasen structuur beloofde het merendeel van de studenten nog wel onderwijs, maar geen wetenschappelijke vorming meer. Alleen zo konden de velen worden bediend die de politiek een doctoraalbul had beloofd, en die voor wetenschapsbeoefening eenvoudigweg te talrijk en veelal ook te weinig getalenteerd waren.

Deze ontwikkelingen hadden diepgaande gevolgen voor de symbolische plaats die de universiteit in de samenleving inneemt, al waren zij van die verandering waarschijnlijk eerder symptoom dan oorzaak. Twee eeuwen lang was de universiteit de levende incarnatie geweest van de kennis en van de belangeloze navorsing van de waarheid. Ze vervulde een bijna religieuze rol en liet dat tot in haar ceremonies (toga's en universiteitslatijn) blijken. Ze was het burgerlijk surrogaat voor wat tot en met het ancien régime de kerk was geweest. Waar wetenschap de nieuwe hoedster van de waarheid werd, en de daarvan afgeleide techniek de motor van de geschiedenis, groeide de universiteit uit tot een van de peilers voor het 19de-eeuwse burgerdom. Na een reeks hervormingen in het verlengde van de Verlichting en de Franse Revolutie werd de universiteit de draagster van alles wat de theoretische menselijke geest vermocht.

Het heeft er alle schijn van dat dat tijdperk op zijn einde loopt en dat de universiteit terugvalt in de rol die ze tot aan de 19de eeuw gespeeld had; tot op dat moment was ze voornamelijk een opleidingsinstituut geweest (theologie, rechten en medicijnen waren haar centrale disciplines) met hier en daar een uitzonderlijke docent die zich met grensverleggend onderzoek bezig hield. De meeste wetenschappelijke vooruitgang werd tot aan de 19de eeuw buiten de universiteit geboekt, en voor intellectuele discussies vormde zij in het beste geval slechts één plaats onder vele.

Haar monopolie op het belangeloze onderzoek heeft de unversiteit inmiddels moeten prijsgeven, gedwongen tot wetenschappelijke joint-ventures met "geldstromen' van het bedrijfsleven, waar de ruimte tot niet-resultaatgerichte research in sommige disciplines nu groter is dan binnen de academische "voorwaardelijke financiering'. Eenzelfde centrifugale kracht dreigt het intellectuele debat de faculteiten uit te slingeren, nu men daar voornamelijk in beslag genomen wordt door onderwijstaken en een slopende guerrilla met ministeriële en universitaire bureaucratieën.

Zullen de stofwolken daarvan eenmaal zijn opgetrokken, dan zal men een universiteit terugvinden die tot op grote hoogte gereduceerd is tot een verlengstuk van de middelbare school. In een aantal nieuwe studierichtingen die voornamelijk gericht zijn op het verwerven van algemene ontwikkeling, zoals cultuurwetenschappen en Europese studies, lijkt dit MMS-ideaal al academisch burgerrecht te hebben gekregen.

De uitgeklede massa-universiteiten van de toekomst zullen geen geprivilegieerde plaats meer bieden aan wetenschappelijke en intellectuele elites. Op hun ontheemding zijn grosso modo twee antwoorden mogelijk. Ofwel men geeft deze elites terug aan de verstrooiing waarin zij zich vóór het universitaire tijdperk bevonden: het vrije schrijverschap, het bedrijfsleven, de publicistiek, etc. Ofwel men tracht hen te bundelen in een nieuw universitair project dat de hervormingen van het begin van de 19de eeuw nog eens over doet. Met vaste regelmaat flakkert de discussie over een wetenschappelijk hooggekwalificeerde super-universiteit weer op, en waarschijnlijk valt daarvan meer te verwachten dan de huidige pogingen om in de vorm van netwerken en onderzoeksscholen super- en massa-universiteit in één organisatie te verenigen.

Maar terwijl dit universiteitsideaal bij zijn ontstaan nog direct aansloot bij het levensgevoel van de burgerij, zijn aan het eind van de twintigste eeuw een rotsvast wetenschappelijk vertrouwen en verknochtheid aan burgerlijke Bildung verre van vanzelfsprekend. Dat iets "wetenschappelijk bewezen' is, geldt alleen in Ster-spotjes nog als een doorslaggevend argument. De hedendaagse burger oriënteert zich met liefde op de wetenschap, maar mengt daar graag een wolkje diepzinnigheid of neo-religie doorheen. Men hoeft die ontwikkeling niet toe te juichen - zoals men ook de teloorgang van de cultuur der Bildungsbürger niet verheugd hoeft te begroeten - om te erkennen dat het maatschappelijk fundament voor een nieuw instituut van geleerdheid daarmee niet steviger geworden is.