Beijersche Brug in Stolwijk wordt krent in de pap genoemd; Zeldzame brug onvoldoende beschermd

Een groep deskundigen van de Nederlandse Bruggenstichting doet onderzoek naar bruggen uit de periode 1800-1940. Doel is bescherming van dit "industriële erfgoed'. Soms sneuvelt een historische brug door een ongeluk.

GOUDA, 23 JULI. Het was een klap die in het hele buurtje doordreunde. Op 11 maart dit jaar werd de Beijersche Brug over de Goudse Vliet in Stolwijk (Krimpenerwaard) geramd door een veewagen, die te hoog bleek voor de zogenoemde "hameipoort', een boogvormige constructie van de uit 1888 daterende gietijzeren ophaalbrug. Sindsdien liggen de brokstukken treurig op de wal, maar de kans is groot dat de oeververbinding in oude luister wordt hersteld, overeenkomstig een advies van de Nederlandse Bruggenstichting.

“Ja, als het even kan moet de zaak weer overeind”, luidt de boodschap van die kant, vertolkt door ing. B.J. Coelman (64) uit Gouda. Hij bestempelt de Beijersche Brug als een “fraai voorbeeld van het industriële erfgoed uit de 19de eeuw”, een type ophaalbrug waarvan er in Nederland nog maar weinig over zijn en wat hem betreft een monument dat bescherming verdient. In een van de stijlen is een naamplaat meegegoten die verwijst naar de fabrikant van weleer: "Yzergietery De Prins van Oranje 's Hage' ('s-Gravenhage). “Destijds een gerenommeerde firma”, aldus Coelman.

Het geval-Stolwijk illustreert waar hij mee bezig is. Namens de stichting maakt Coelman deel uit van een groep deskundigen die onderzoek doet naar zowel vaste als beweegbare bruggen uit het tijdvak 1800-1940. Dat gebeurt op verzoek van het Projectbureau Industrieel Erfgoed, opgericht door het ministerie van WVC als uitvloeisel van een groeiende belangstelling voor "monumenten van bedrijf en techniek'. Onder die term vallen uiteenlopende objecten als fabrieken, watertorens, sluizen, gemalen en spoorwegstations. En bruggen natuurlijk, die in Nederland bij duizenden en in vele soorten - ophaalbruggen, basculebruggen, draaibruggen, hefbruggen, enzovoort - worden geteld.

De bedoeling is die rijkdom zorgvuldig in kaart te brengen en daaruit een selectie te maken van bruggen die uit cultuurhistorisch, stedebouwkundig of landschappelijk oogpunt hoe dan ook behouden moeten blijven. “Het gaat erom de krenten uit de pap te halen en de Beijersche Brug in Stolwijk s zo'n krent”, zegt Coelman.

Hier was het een ongeluk dat aanzienlijke schade teweegbracht, maar vaker worden bruggen, ook bijzondere specimina, met opzettelijke sloop bedreigd. Coelman: “Stel dat zo'n brug coûte que coûte moet verdwijnen in verband met het weg- of scheepvaartverkeer, dan valt te overwegen haar elders te herplaatsen. En als dat onmogelijk blijkt, is het van belang om waardevolle onderdelen, bepaalde gietconstructies, aandrijvingen of naamplaten, in een museum te bewaren. Maar ons eerste doel is sloop te voorkomen en zo'n brug bescherming te bieden in het kader van de Monumentenwet.”

Dat juist hij werd geroepen tot de studiegroep van experts toe te treden, heeft te maken met zijn professionele achtergrond. Bijna twintig jaar lang gaf Coelman leiding aan het projectbureau beweegbare bruggen van Rijkswaterstaat, in welke hoedanigheid hij aan de wieg van vele naoorlogse oeververbindingen stond. Ook het ontwerp voor de (eerste) Van Brienenoordbrug, althans het beweegbare deel, de basculebrug, kwam van zijn tekentafel. “Ik ben dus gepokt en gemazeld in het vak en heb bovendien een uitgesproken interesse voor historische bruggen.”

Van die belangstelling getuigt een recent boek van zijn hand ("Beweegbare verkeersbruggen'), dat naast technische verhandelingen een beknopt exposé over de invoering van ijzer als bouwmateriaal bevat. De eerste gietijzeren brug ter wereld werd in 1779 gebouwd over de Severn bij Coalbrookdale in Groot-Brittannië. Nederland volgde het voorbeeld omstreeks 1840 met een - inmiddels verdwenen - ophaalbrug in het Overijsselse Goor, waarna ijzer dank zij de industriële revolutie en de opkomst van de spoorwegen een snelle opmars beleefde.

Coelman heeft een zwak voor dit metaal en spreekt met liefde over bijvoorbeeld de dubbele ophaalbruggen bij de sluis te Vianen: “Handbewogen ophaalbruggen die uit 1886 stammen en zich gelukkig nog in goede staat bevinden. Een fraai voorbeeld van ijzerconstructies uit de vorige eeuw.” Jammer genoeg heeft dat "handbewogen' zijn langste tijd gehad: in 1996 zullen de brugwachters om commerciële redenen worden vervangen door elektromotoren.

Volgens Coelman is de inventarisatie die de studiegroep uitvoert, daarom zo belangrijk omdat bruggen van na 1800 een nog grotendeels gesloten boek vormen: “Een dienst als Monumentenzorg weet vrij nauwkeurig wat Nederland uit een ver verleden aan dit soort objecten bezit, maar over de vorige en deze eeuw is betrekkelijk weinig bekend.”

In het algemeen signaleert hij wat betreft bruggen en bruggenbouw een gebrek aan kennis onder de meeste van zijn landgenoten. Of in de woorden van de eerste Nieuwsbrief die de vorig jaar opgerichte Bruggenstichting uitgaf: “Vooral in Groot-Brittannië is veel gedaan aan populaire voorlichting voor een breed publiek. In Nederland is er een duidelijke achterstand.”

“En dan te bedenken”, vult Coelman aan, “dat Nederland met name in de afdeling beweegbare bruggen een toonaangevende rol heeft gespeeld en nog altijd speelt. Nederland is volgens ons ook het land met de dichtste bruggenbezetting ter wereld. Een waterland bij uitstek is vanzelf een bruggenland bij uitstek. Alleen Amsterdam heeft er al circa duizend.”