Beelden op patio's in de duinen van Scheveningen

Paviljoen Von Wied, dat uit 1826 dateert, is eigendom van de Haagse Litteraire Societeit De Witte, die het een aantal maanden per jaar als "buitensociëteit' gebruikt.

Koning Willem I liet het paviljoen bouwen als verjaardagscadeau voor zijn vrouw om er aan te sterken. De naam komt van de Duitse prins Von Wied, die getrouwd was met een nichtje van de koning. Eind vorige eeuw is het gekocht door een Engelsman die er een casino wilde vestigen; in 1918 werd het eigendom van De Witte. De Witte is met Scholten overeengekomen dat met de komst van het museum, ook het paviljoen wordt opgeknapt. Wel worden het museum en de sociëteit gescheiden gebruikt. Het museum krijgt de grond voor 99 jaar in erfpacht. Welk bedrag met de sloop, bouw en inrichting is gemoeid, wil Scholten niet zeggen.

In het ontwerp van Quist wordt het museum als het ware in het duin geschoven en erin verzonken. Vanaf het parkeerterrein aan de landzijde is van het museum iets te zien, maar vanaf de boulevard niet. De bestaande muur om het terrein wordt vervangen en verhoogd van de huidige anderhalve meter tot twee meter twintig hoog. Het was volgens Scholten ook een eis van Monumentenzorg, dat het paviljoen het duinlandschap zou blijven domineren.

Binnen komt er 1100 vierkante meter expositieruimte, verdeeld over een grote en twee kleinere zalen, en ongeveer 500 vierkante meter voor faciliteiten als wc's, garderobe en koffieshop. Buiten wordt de oppervlakte van 2000 à 2500 vierkante meter verdeeld over zes patio's en terrassen. Om de bouw mogelijk te maken moeten eerst diverse bunkers en gangenstelsels om het paviljoen heen worden gesloopt; daarmee is reeds een begin gemaakt.