Wantrouwen blijft na onderzoek dood Köksal in Venlo

ROTTERDAM, 22 JULI. De familie van de op 8 januari overleden, toen 32-jarige, Husseyin Köksal zat dinsdagmiddag in een gemeenschapshuis in Venlo, toen een journalist om commentaar kwam, zo zegt de advocaat van de weduwe, mr. G. Knoops. Wat vonden ze ervan dat de politie-agenten, die betrokken waren bij de arrestatie van de anderhalve dag later overleden Husseyin, vrijuit gaan? (Alleen de brigadier - die tegen de VUT loopt - wordt nog terzake van mishandeling vervolgd. Red.)

De familie was verbijsterd. Ze hadden ruim een half jaar moeten wachten op dat nieuws en waren niet eens op de hoogte gesteld van de beslissing van hoofdofficier van justitie te Roermond mr. W.J.B. Zeyl. Eens temeer waren ze verbijsterd omdat Zeyl had verklaard dat “uiteraard alle direct-betrokkenen inmiddels van de beslissing op de hoogte waren gesteld”. De Turkse gemeenschap in Venlo heeft naar voren gebracht sterk de indruk te hebben, dat justitie en politie in Nederland één pot nat is.

Het heeft ruim een half jaar geduurd, maar dinsdag was de tijd rijp voor justitie om bekend te maken welke stappen resteren in de nog altijd raadselachtige affaire-Köksal. De resultaten van de onderzoeken zijn nog steeds geheim.

De Venlonaar slingerde in de nacht van 6 op 7 januari met zijn auto door de stad en kwam tot stilstand tegen een paaltje. Een taxi-chauffeur belde de politie die met zes man Köksal kwam inrekenen. Hij verzette zich en leek dronken. Er werd, aldus de burgemeester van Venlo eind april, "buitenproportioneel' geweld gebruikt. De arrestant werd niet veel later in een politiecel gezet.

Toen zijn gezondheidstoestand twaalf uur later alarmerend leek, werd een dokter gebeld, die het noodzakelijk achtte de man naar een ziekenhuis te brengen. Het zou Venray worden. Op 8 januari overleed Husseyin aan een hersenbloeding. Wrang genoeg was zijn vrouw al die tijd nergens van op de hoogte, maar toen ze eenmaal in het ziekenhuis arriveerde werd haar eerst gevraagd of de organen van Husseyin voor transplantatie gebruikt mochten worden.

Nog geen maand later sloot de Rijksrecherche het onderzoek naar de gebeurtenissen af. Het Laboratorium voor Gerechtelijke pathologie had al eerder zijn bevindingen gerapporteerd: er was geweld gebruikt, bovendien had Köksal een hersenbloeding gehad, wellicht als gevolg van een ziekelijke verwijding van een hersenslagader, maar mogelijk ook was die "geprovoceerd' en hem fataal geworden.

Op 8 februari begon een gerechtelijk vooronderzoek door de rechter-commissaris, gericht op het gedrag van zes politie-agenten en een burgerbeambte, die was belast met de arrestantenzorg op het bureau. Waren zij direct schuldig aan Köksals dood of hadden zij zich schuldig gemaakt aan een ander strafbaar feit; het in hulpeloze toestand achterlaten van een persoon. Twee agenten werden daarnaast verdacht van mishandeling.

Bij dit onderzoek is voorts het oordeel gevraagd van twee deskundigen, een neurochirurg en een neuroloog die uitsluitsel moesten geven over de vraag of er een oorzakelijk verband bestond tussen het gedrag van de betrokkenen en de dood van Köksal.

De hersendeskundigen hebben gesteld dat als er eerder een dokter was geroepen het overlijden "mogelijk, doch niet waarschijnlijk' zou zijn uitgebleven. De hoofdofficier heeft bij zijn uiteindelijke beslissing dat "mogelijk' laten varen en het gehouden op "niet waarschijnlijk'.

Dat wekt de indruk dat de agenten naar zijn mening in die bewuste nacht capabel waren zelf die afweging te maken. De rijksoverheid meent echter dat een dergelijke lastige neurologische diagnose iets te veel is gevraagd van de gemiddelde politie-agent. Daarom werd in 1987 een richtlijn opgesteld "inzake de behandeling van zich onder de zorg van de politie bevindende personen'. Die gebiedt dat in Köksals geval een dokter had moeten worden gebeld, zeker als de man zo dronken was als al deze agenten, de arrestantenbewaarder incluis, veronderstelden.

“Dit verwijt is echter meer tuchtrechtelijk relevant”, zo stelt de hoofdofficier bij zijn besluit de zaak te seponeren. Tuchtrecht voor politie-agenten bestaat echter niet. Maar als dat al bestond lijkt het nogal arbitrair om in een kennelijk verwijtbaar geval, waarbij iemand is overleden, de zaak aan een collegiale beoordeling over te laten. Bovendien heeft justitie een eigen verantwoordelijkheid. Bij medisch-tuchtrechtelijke zaken bijvoorbeeld, staat het de officier vrij strafrechtelijke vervolging in te stellen, los van wat de beroepsgenoten menen voor maatregelen te moeten treffen.

Tot slot, zo gaat de hoofdofficier in zijn verklaring verder, worden twee politie-ambtenaren verdacht van mishandeling. Die verdenking blijkt bij nadere lezing niet twee agenten te gelden maar één, namelijk de bija VUT-gerechtigde brigadier, die in april al met voorwaardelijk ontslag werd gestuurd. Zeyl: “Hier moet onderscheid worden gemaakt: de ene ambtenaar was een ervaren brigadier, die duidelijk de leiding had en ook feitelijk besliste wat er moest gaan gebeuren. De andere politie-ambtenaar was een agent, met één dienstjaar, wiens aandeel in het geheel van ondergeschikte betekenis was. Ten aanzien van de laatste ambtenaar was van enig relevant geweld in de richting van Köksal geen sprake.”

Dat onderscheid is op zich zelf niet merkwaardig, maar wel als het de politie aangaat. Als een actiegroep, met laten we zeggen een man of zes, openlijk geweld pleegt tegen één weerloze politieman en zodoende artikel 141 (wetboek van strafrecht) overtreedt, dan is iedereen in beginsel strafbaar als niet voor honderd procent vaststaat dat een deelnemer absoluut niets verwijtbaars heeft gedaan. Dat is iets anders dan dat er volgens de hoofdofficier geen sprake was van "enig relevant' geweld.

Had Zeyl de indruk bij de Turkse gemeenschap willen wegnemen dat justitie en politie in Nederland één pot nat zijn, dan had hij er volgens Knoops beter aan gedaan een uiteindelijk oordeel over te laten aan een onafhankelijke rechter, zoals dat gebruikelijk is bij verdachten van strafbare feiten. Die rechtsgang komt er overigens toch. De advocaten van de weduwe en de familie dienen een klacht in bij het Gerechtshof in Den Bosch, dat nog eens een onafhankelijke blik op deze sepots werpt.