Vlindervlucht

In de brandtoren - dicht bij de hemel, hoog boven het bos, een zee van groen. Rob Bijlsma wijst de mast van Smilde, de kerk van Diever. De volgende uren kijken we uit naar wespendief.

In de verte verschilt hij weinig van een buizerd. Dan gaat het om kleinigheden in het postuur, details in het gebruik van vleugels en staart.

Het vliegverkeer geeft aanleiding tot vermoedens omtrent de ligging van nesten. Van bijzonder belang daarbij zijn vlindervlucht en voedselvlucht.

Vlindervlucht: wespendief maakt een val, heft zich op, wappert met zijn vleugels, kantelt zijn lichaam en laat de vleugels nog even vibreren, waarbij het hele lijf begint mee te trillen. Dat doet hij vooral in de buurt van zijn nest.

Voedselvlucht: wespendief verschijnt boven het bos, schroeft omhoog en begint opeens in een rechte lijn af te dalen. Dat doet hij om voedsel te brengen aan zijn jongen.

Na verloop van tijd hebben we aanwijzingen voor vier paren. Twee nesten heeft Rob inmiddels opgespoord. Blijven er twee over die vooralsnog een raadsel zijn.

“Merk je”, zegt hij, “dat we meer wespendieven zien dan buizerds en haviken? Ze zijn vrij talrijk hoor. Het is alleen verdomd moeilijk om iets over ze aan de weet te komen.”

Hijzelf beschikt nu over gegevens van meer dan tweehonderd nesten. Dat kan geen mens ter wereld hem nazeggen.