Verklaren en voorspellen van crimineel gedrag zijn twee

Waar de hele discussie rond de genetische bepaaldheid van crimineel gedrag aan mank gaat, is dat onvoldoende onderscheid wordt gemaakt tussen het verklaren van crimineel gedrag, zoals: “de oorzaak is een genetische afwijking”, en het voorspellen ervan: “iemand met die genetische afwijking wordt daardoor crimineel”.

Neem nu het door het Academisch Ziekenhuis van Nijmegen begeleide gezin met een genetisch defect dat bij acht mannen in een familie werd vastgesteld (Bram Pols: "De eugetica is opnieuw in de mode' in NRC Handelsblad van 10 juli). “Ze zijn allemaal zwakbegaafd en barsten af en toe uit in agressie. Een van de mannen heeft TBS opgelegd gekregen omdat hij zijn zuster heeft verkracht. (...) Bij alle acht is een zeldzame stofwisselingsstoornis opgemerkt die het gevolg is van dat "foute' gen.”

Is nu het foute gen de oorzaak van, of de aanleiding tot het verkrachten van een zuster, of tot verkrachten op zichzelf? Of alleen maar tot agressieve uitbarstingen, en is de verkrachting veroorzaakt door andere factoren, zoals die ook meespelen bij personen die zonder genetisch defect verkrachten? Is wetenschappelijk aangetoond wat het specifieke defect is, dat tot de zwakbegaafdheid leidt? Zwakbegaafdheid wordt immers bij meer genetische defecten gezien, zoals bij mongolisme (drie chromosomen type 21) en het syndroom van Klinefelter (te veel X resp. Y geslachtschromosomen). Sterker nog: ook zwakbegaafdheid wordt gezien zonder genetische defecten.

Uiteindelijk vertoont het menselijk gedrag herkenbare, vaste eigenschappen die in onze hersenen zijn vastgelegd, niet alleen genetisch per cel, maar ook in circuits van onderling verbonden zenuwcellen. Nog twee jaar na de geboorte van de menselijke baby ontwikkelen zich de contacten tussen deze cellen. Wat kan er allemaal niet gebeuren dat in die eerste twee levensjaren deze gevoelige ontwikkeling vorm geeft: harmonische, structurerende "good enough' invloeden, chaotiserende, affectief verwaarlozende, depriverende invloeden, of een willekeurige combinatie van beide? Elk mens wordt gevormd door de inwerking van zijn specifieke genetische samenstelling en zijn specifieke combinatie van omgevingsfactoren in zijn daarvoor gevoelige periodes. Broers en zussen lijken in fysieke, noch in psychische zin 100 procent op elkaar, en niemand vindt dat toch vreemd?

Dierexperimenten hebben aangetoond dat deze vroege invloeden het gedrag permanent kunnen benvloeden, en waarom zou dat bij mensen niet het geval zijn? Wij zijn dan echter ver verwijderd van de mogelijkheid van het "defecte gen'. Omgevingsinvloeden kunnen dus ook, net als genetische, permanente consequenties hebben. Het is een onbewezen optimisme te veronderstellen dat milieu-invloeden ("nurture') beter te genezen zijn dan erfelijke of aangeboren ("nature'). Eventueel zijn ook zij preventief te wijzigen, bijvoorbeeld door tijdig gezinsverzorging in te schakelen wanneer de vaste verzorger in het gezin al of niet gedeeltelijk wegvalt. Preventie is echter financieel niet populair, het lost actuele problemen niet op, succes is onzeker en pas op lange termijn te verwachten.

Niet bekend

Het is echter evenzeer kortzichtig om wegens deze onmogelijkheid tot het voorspellen van gedrag biologische en elektrofysiologische onderzoeksmethoden af te keuren of in een slecht daglicht te plaatsen. Deze technieken zijn redelijk gevalideerd en zijn in staat bepaalde vastliggende patronen in het gedrag of in de elektrische en biochemische hersenactiviteit op te sporen. Vele ervan worden al jaren gebruikt bij wetenschappelijk onderzoek in de psychiatrie, bij onderzoek bij duikers, vliegeniers, ruimtevaarders etc.

De fout van de onderzoekers ligt in de pretentie om vanuit deze gegevens uitspraken te doen over de toekomst, alsof de gevonden afwijking alleen verantwoordelijk is voor alle volgende gedragingen. Dat komt neer op het onderschatten van de complexiteit en flexibiliteit van menselijk gedrag.

Tot op heden lukt het - praktisch aanvaardbaar - op korte termijn omschreven agressief gedrag te voorspellen bij psychiatrische patiënten. Voor het overige kan alleen achteraf worden vastgesteld dat personen die meermalen veroordeeld zijn wegens agressief gedrag, dit gedrag in de toekomst zullen herhalen. Dit impliceert niet dat over een individu vanuit deze kansberekening een uitspraak gedaan kan worden, het blijven percentages van grote groepen, dus een mate van waarschijnlijkheid - en niet meer dan dat. Vervolgens - naar een bekend rekenvoorbeeld - is het zelfs statistisch gezien onverantwoord om gedrag, zoals delinquentie, te voorspellen dat in grote groepen, maar in lage frequentie voorkomt: er komen veel meer vals beschuldigden vast te zitten dan echte daders.

Het achteraf reconstrueren waarin bepaalde groepen delinquenten overeenkomen en dit statistisch tegen een controlegroep verifiëren, is goed wetenschappelijk gedrag. Om de hypotheses die hieruit volgen, bevestigd te zien is echter weer nieuw wetenschappelijk onderzoek nodig, en wel toekomstgericht, prospectief onderzoek. En dit soort langdurig, hypothese-toetsend onderzoek is er maar weinig. Het is dan ook niet populair omdat men lang moet wachten op resultaat, terwijl onderweg bijsturen vaak niet mogelijk is, er veel mensen bij betrokken zijn die ook allemaal moeten willen blijven en het financieel nogal veel vergt. Toch is zo'n veelomvattend onderzoek, empirisch en qua duur verantwoord, de enige methode om alle aspiraties tot het voorspellen van gedrag een reële basis te geven. Tot dan blijven zij theorie en leveren hoogstens een praktisch werkmodel op - dat dus geen verklaring is.