Tentoonstelling als rehabilitatie van de Russische kunstenaar "Jean Pougny'; De grote verzoener van de avant-garde

Tentoonstelling: Jean Pougny. T/m 22 aug in Musée d'Art Moderne de la Ville Paris. Geopend di t/m vrij 12-19 u, za & zo 10-19 u. Van 9 sept t/m 13 november in de Berlinische Galerie in Berlijn. Prijs catalogus (210 blz.) FF 290.

Twee grote profeten kende de Russische avant-garde. De een, Kazimir Malevitsj, verkondigde het mystieke woord van het suprematisme, de ander, Vladimir Tatlin, was de geestelijke vader van het meer praktische constructivisme. Ze hadden vele discipelen. Sommigen gaven een eigen interpretatie aan de woorden van de profeten, anderen kwamen niet verder dan een herhaling.

In Parijs is nu een poging te zien om een derde profeet van de Russische avant-garde uit te roepen: Ivan Poeni (1892-1956) of Jean Pougny zoals hij ging heten toen hij zich in 1923 in Parijs vestigde.

Kunsthistorici denken in schema's, schrijft Jean-Claude Marcadé in zijn artikel in de catalogus, en Poeni past daar niet. Daarom is hij miskend.

Ooit heeft Poeni wel erkenning gehad. In 1915 werd hij door de Russische critici in één adem genoemd met Malevitsj en Tatlin, en heus niet alleen omdat hij de nu beroemde tentoonstellingen 0.10 en Tram V financierde waar Malevitsj en Tatlin hun eerste non-figuratieve werken toonden. Nee, ook met zijn werk kan Poeni zich meten met de grote twee, vindt Marcadé. De 210 schilderijen, reliëfs en (pen)tekeningen die nu in het Musée d'Art Moderne de la Ville Paris zijn samengebracht, moeten het bewijzen.

Getuige de tentoonstelling moet Poeni een bijzonder sprankelende geest zijn geweest. Hij wilde zich niet beperken tot één stijl. Anders dan bij Malevitsj volgden kubisme, kubo-futurisme en suprematisme bij Poeni elkaar niet "logisch' op. Voor hem waren het stijlen die men afwisselend of zelfs tegelijk kon gebruiken. Poeni voegde er ook eigen vondsten aan toe. Zo blies hij de in kubististische schilderijen vaak voorkomende letters op tot zulke proporties op dat ze zelf het onderwerp werden van het schilderij en een eigen leven gingen leiden.

Poeni sloot geen stijl uit. In zijn schitterende reliëfs uit de jaren 1915-1916, waarvan er in al dan niet gereconstrueerde vorm een groot aantal in Parijs hangen, verzoent hij zelfs de twee grote rivalen van de Russische avant-garde. Poeni's reliëfs zijn een synthese van suprematisme en constructivisme. Van Tatlin nam hij het idee van abstract-geometrische reliëfs over, van Malevitsj leende hij de suprematische vormen, die hij een derde dimensie gaf door ze in gebogen vorm op de houten ondergrond te bevestigen en te voorzien van ruimte suggererende schaduwen. In sommige van zijn reliëfs, zoals Reliëf met hamer waarop een heuse hamer op drie elkaar overlappende geometrische vormen zijn bevestigd, verzoent hij zelfs het onverzoenlijke. Hier brengt hij een extreem realisme - wat is er tenslotte realistischer dan het voorwerp zelf? - samen met een absolute vorm van non-figuratieve kunst, het suprematisme van Malevitsj.

Poeni was de grote verzoener van de Russische avant-garde. Slechts één tegenstelling, die tussen kunst en nuttigheid, kon en wilde hij niet verzoenen. Vlak na de Oktoberrevolutie deed hij nog wel een poging hiertoe en ontwierp hij, zoals zovele avantgardisten, decoraties voor pleinen en gebouwen op revolutionaire feestdagen. Maar al spoedig stelde hij vast dat de poging van de constructivisten om kunst te gebruiken in de "vormgeving van het dagelijks leven' tot mislukking was gedoemd. De "schoonheid' van de kunst was juist gelegen in haar absolute nutteloosheid, vond hij.

Toen hij niet alleen om zijn artistieke opvattingen maar ook wegens zijn adellijke afkomst door de bolsjewieken in het nauw werd gebracht, zat er weinig anders op dan te emigreren. Eerst, in 1920, naar Berlijn, drie jaar later naar Parijs waar hij ten slotte zou sterven als bijna anoniem schilder van huiselijke taferelen die het werk van Vuillard in herinnering brengen. In Berlijn ontbrak het hem nog niet aan succes. Hij kreeg er een grote overzichtstentoonstelling in de galerie Der Sturm en hij maakte er het sleutelwerk De synthetische musicus. Niet alleen vatte dit schilderij door de samensmelting van kubo-futurisme en suprematisme nog eens samen waar Poeni altijd naar had gestreefd, maar het wees ook vooruit naar zijn late figuratieve werk in de vorm het gezicht van de musicus in een stijl die verwant is met de Neue Sachlichkeit.

De grote vraag is natuurlijk of de tentoonstelling is geslaagd of, anders gezegd: was Poeni inderdaad de derde profeet van de Russische avant-garde. Het antwoord is kort: nee, dat was hij niet. Er is geen reden om na deze tentoonstelling de Russische kunstgeschiedenis te gaan herschrijven. Daarvoor leunt het werk van Poeni toch te zwaar op dat van Malevitsj en Tatlin. En in al zijn diversiteit is het te weinig bezield door één gedachte die met een ijzeren consequentie tot het einde toe wordt uitgewerkt.

Maar dit wil niet zeggen dat de tentoonstelling is mislukt. Profeet wordt men door dogma's te formuleren en daar aan vast te houden. Twee van zulke figuren in één land zijn al meer dan genoeg. Men zou wensen dat er meer van zulke discipelen als Poeni waren.