Tekeningen en sculpturen uit Antwerpens Gouden Eeuw; Opkomst en ondergang van een mooie, nobele en beroemde stad

Tentoonstelling: Antwerpen, verhaal van een metropool, 16de-17de eeuw. In: het Hessenhuis, Falconrui 53, Antwerpen, di t/m zo 10-17u. Tot 10 okt.

Aan de Gouden Eeuw van Antwerpen, de periode van ruwweg 1530 tot 1630, herinnert niet zo heel veel meer. De middeleeuwse kathedraal verheft zich nog boven de stad, het Vleeshuis en het stadhuis bieden nog een indruk van de 16de-eeuwse stedetrots en een aantal zwaargerestaureerde koopmanshuizen verwijzen eveneens naar de vroegere voorspoed. Maar veel is afgebroken, vervangen door 19de-eeuwse architectuur, die zelf ook weer moet wijken voor het moderne bouwen.

Een van de oorspronkelijke gebouwen die nog overeind staan is het Hessenhuis, destijds een markthal en pakhuis. Het is dan ook een logische keus geweest om hier een tentoonstelling te houden met als onderwerp juist die Gouden Eeuw. Het is een project in het kader van Antwerpen 93, culturele hoofdstad van Europa, dat wordt begeleid door een uitvoerige goed gellustreerde catalogus met voortreffelijke essays.

Antwerpens bloei had zich kunnen voltrekken dank zij haar markt-en havenfunctie en de textielnijverheid. De stad ontwikkelde zich tot een cosmopolitische metropool, het belangrijkste handelscentrum van Europa. Het was bovendien een bolwerk van het calvinisme en een centrum van humanistische cultuur, waar schilders, drukkers, geografen, filologen en botanici elkaar in hun veelzijdige belangstelling stimuleerden. Toen de Spanjaarden in 1585 de stad innamen was het met deze cultuur afgelopen. Er voltrok zich een dramatische demografische leegloop waar de noordelijke Nederlanden hogelijk van hebben geprofiteerd. Antwerpen werd in één klap getransformeerd tot een katholiek centrum; haar machtige economische positie raakte ze kwijt aan de noordelijke steden en uiteindelijk aan Amsterdam. Toch was het niet zo dat de stad nu in verval raakte. Handel en nijverheid bleven op een behoorlijk peil en de kunsten floreerden, met name dank zij de invloed van de trits grote schilders Rubens, Van Dijck en, na de dood van de laatste, de enigszins overschatte Jacob Jordaens. De tentoonstelling in het Hessenhuis heeft dan ook uitlopers tot ver in de 17de eeuw.

Het Hessenhuis is geen museum, het is een onmogelijke kunsthal, waar regelmatig exposities te zien zijn, maar dat door zijn architectuur en zijn kleine ramen daar toch niet echt geschikt voor is. De samenstellers van de tentoonstelling kwamen dan ook al snel tot de conclusie dat een inrichting volgens een historische verhalende logica niet mogelijk was. Daar waar je ruimte nodig zou hebben voor grote objecten, was die afwezig en waar je een bescheiden vitrine met kleine voorwerpen wilde plaatsen, gaapt ineens een enorme hal. Uit de persberichten viel op te maken dat men daarom voor een geheel nieuw concept had gekozen, waarbij het de bezoeker duidelijk moest worden dat het verleden alleen via fragmenten tot hem komt en dat "de wereld van de Kunst und Wunderkammern' wordt "gekatapulteerd in de kakofonie van de consumptiecultuur van het videotijdperk'. Door afstand te creëren "haalt men het verleden dichterbij'. Voorzover ik de gedachtengang kon volgen leek mij dat veelbelovend, er wordt immers veel te weinig nagedacht en geschreven over vorm en doel van historische tentoonstellingen, maar na het bezoeken leek mij de expositiefilosofie eerder een apologie achteraf. Er staat hier namelijk gewoon een vrij traditionele expositie in een ongelukkige ruimte.

In het Hessenhuis is een parcours uitgezet, dat het hele gebouw ontkent. Dat parcours, dat gevormd wordt door lange plankiers en gangen, voert langs een aantal thema's. Wie het inleidende diaprogramma oplettend gevolgd heeft kan die thema's goed volgen. Ze worden verder nauwelijks ingeleid, maar er komen onderwerpen aan bod als de mythe van de stad, de economie, de cultuur en de manier waarop buitenlanders de stad hebben beoordeeld. In dat laatste hoofdstuk zien we tekeningen die Albrecht Dürer in Antwerpen heeft gemaakt en voorbeelden van stadsbeschrijvingen, in de eerste plaats die van de Florentijn Guicciardini. In zijn invloedrijke boek over de Nederlanden uit 1567 roemt hij Antwerpen als "la preclara et famosa città, la bella, la nobilissima et amplissima città'.

De entree treft direct al door een groot schilderij met een allegorische voorstelling van Scaldis en Antverpia, de personificaties van de Schelde en Antwerpen. Ook staat hier een indrukwekkend twee meter hoge bronzen beeld van Mercurius dat kort voor 1570 vervaardigd moet zijn door Jacob Jonghelinck en dat zich sinds de val van Antwerpen in Madrid bevindt. Dan volgt een indrukwekkende reeks stadsgezichten, weliswaar geschilderd in de 17de eeuw, maar uit deze royale doeken spreekt nog steeds de trots van de opdrachtgevers op hun stad. Zijn deze schilderijen mede door een goede uitlichting uitstekend te bestuderen, anders ligt dat voor de twee bijzondere topografische kaarten van omstreeks 1500. Het zijn twee vijf meter lange kaarten die men zelden te zien krijgt, bewaard in archieven in Brussel en Antwerpen. In de donkere ruimte waarin ze om conservatorische redenen hangen zijn met goed turen de details te zien van de Schelde van Noordzee tot Antwerpen.

Zo zijn er op deze tentoonstelling veel schilderijen, tekeningen, sculptuur en drukwerk te zien, die bijzonder zijn vanwege hun unieke historische waarde, maar ook omdat ze uit niet of weinig toegankelijke collecties zijn verkregen.

De tentoonstelling doet geen geen poging tot reconstructie, er zijn geen nagebouwde interieurs of andere evocaties van het verleden. Men ziet er een groot aantal goed geselecteerde fragmenten uit Antwerpens verleden. De tentoonstelling zit vol ontwerpersvondsten, die eenmaal uitgelegd wel te begrijpen zijn, maar die de meeste bezoekers toch zullen ontgaan. Als laatste voorbeeld daarvan mag het houten schot bij de uitgang dienen, waar men alleen door te bukken kan passeren. In de volgende, de allerlaatste ruimte is een aantal modellen opgehangen voor het beeldhouwwerk van het 17de-eeuwse Amsterdamse stadhuis. Men verlaat hier dus met gebogen hoofd Antwerpen, een stad op zijn retour, en treedt binnen in Amsterdam, een stad op het toppunt van zijn bloei. Maar of iedereen deze ontwerperssymboliek tot zich door laat dringen is de vraag.