Prijs daalt verder door berichten over mogelijke hervatting van olie-export; Irak doet internationale oliehandel sidderen

ROTTERDAM, 22 JULI. Stevige paniek brak maandag uit op de olietermijnmarkten en vervolgens in Wenen op het hoofdkantoor van OPEC, de organisatie van olie exporterende landen, toen bekend werd dat Irak mogelijk op afzienbare termijn weer olie kan verkopen.

Vorige week wist de Zweedse VN-afgezant Rolf Ekeus in gesprekken in Bagdad de basis te leggen voor een akkoord tussen de volkerenorganisatie en de regering van Saddam Hussein over de inspectie van twee proefterreinen waar raketten. Daardoor zou de weg geplaveid worden voor een bescheiden begin van hervatting van de olie-export. De oliehandel is zeer gevoelig voor dergelijke politieke ontwikkelingen, die de markt op termijn sterk kunnen benvloeden. Direct na het weekeinde daalde de olieprijs in één klap met enkele dollars tot een dieptepunt van 15,95 dollar voor een vat Noordzee-olie. Daarna trad een licht herstel in, tot 16,71 dollar gisteravond.

Of het tussen de VN en Irak tot een overeenkomst over hervatting van de Iraakse olie-export zal komen is nog onzeker, want daarvoor is een nieuwe resolutie nodig. Gisteren wilde de Veiligheidsraad de sancties jegens Bagdad niet opheffen. Zou de Veiligheidsraad Irak wel het groene licht geven voor de verkoop van een bescheiden hoeveelheid olie (in een vorige resolutie ging het om een maximale waarde van 1,6 miljard dollar in een halfjaar) dan komen er per dag minimaal 500.000 vaten Iraakse olie extra op de markt. Dat kan nog enige maanden duren, maar oliehandelaren die met termijncontracten werken, kijken een tijd vooruit. Ze laten hun koop- en verkoopgedrag niet afhangen van het moment, maar meer van de vooruitzichten.

Zowel de lage huidige olieprijzen als de vooruitzichten voor de komende maanden zijn voor Opec niet gunstig. De markt is overvoerd met ruwe olie, de voorraden zijn ruim en nog steeds zijn er Opec-lidstaten die meer produceren dan ze eerder hadden afgesproken. Het duidelijkste voorbeeld is Koeweit, dat een maand geleden weigerde zich neer te leggen bij het produktieplafond van 1,76 miljoen vaten per dag. Koeweit wil meer olie verkopen en is eigenlijk niet van plan inkomsten in te leveren ten behoeve van buurland Irak, dat het nog steeds als agressor en vijand beschouwt. Op 10 juni stelden de Opec-ministers in Genève een gezamenlijk produktieplafond voor het derde kwartaal van dit jaar vast van 23,74 miljoen vaten per dag, maar de feitelijke produktie wordt nu al geschat op 24,5 miljoen vaten. Als Irak er bij komt wordt dat op zijn minst 25 miljoen vaten per dag. Die hoeveelheid kan pas in het winterseizoen, als de vraag aantrekt, tegen een behoorlijke prijs worden afgezet.

Geen wonder dat Opec-voorzitter Jean Ping, de olieminister van de Afrikaanse lidstaat Gabon, een spoedvergadering van zijn collega's voor volgende week woensdag bijeen heeft geroepen. Ping is alvast aan een toer langs de hoofdsteden in het Midden-Oosten begonnen. Hij probeert de geesten rijp te maken voor een nieuwe produktie-akkoord dat een halt moet toeroepen aan de prijsdaling voor olie, die desastreus uitpakt voor de olielanden. Volgens de vorige voorzitter van het kartel, de Venezolaanse olieminister Alirio Parra, hebben de Opec-lidstaten de laatste tijd gemiddeld zo'n 50 miljoen dollar per dag aan inkomsten verloren door het lage prijsniveau.

Ook een energierijk land als Nederland kan flinke nadelen ondervinden van een aanhoudend lage olieprijs, door de koppeling van de prijs van aardgas aan die van olie. De staatsinkomsten uit de verkoop van gas (voor 1993 geraamd op 8,3 miljard gulden) dalen of stijgen met 600 miljoen gulden per dollar mutatie op de olieprijs op jaarbasis. De rekenmeesters op Financiën maken zich nu echter nog geen grote zorgen over tegenvallers, omdat de koers van de dollar de laatste tijd flink is aangetrokken. Vooralsnog wordt daardoor de lage olieprijs nog gecompenseerd, want elke 10 cent stijging van de dollarwaarde brengt bij de huidige aardgasafzet de staat op jaarbasis weer 600 miljoen gulden extra in het laatje.

De ministersconferentie van Opec had in augustus 1990, direct na het uitbreken van de Golfcrisis, afgesproken dat alle lidstaten vrij waren om zoveel olie als ze maar konden leveren, te verkopen. Dat was een noodmaatregel om een crisis in de olievoorziening te voorkomen, toen Irak en het toen nog bezette Koeweit door embargo's van de Verenigde Naties werden gesoleerd en geen druppel olie mochten exporteren. Saoedi-Arabië, Venezuela, de Verenigde Arabische Emiraten en Nigeria voerden hun export flink op om het gat te vullen.

Direct nadat Irak weer zou gaan exporteren zou een extra Opec-vergadering worden gehouden. Dat gebeurt nu nog vóór een akkoord tussen Irak en de VN is bereikt, om een verder kelderen van de prijs te voorkomen. Of Opec in staat zal zijn deze crisis te beheersen, zal volgende week moeten blijken. Daarvoor is een afspraak nodig om op zijn minst het produktieplafond dat vorige maand werd overeengekomen, ook werkelijk na te leven. Verder moeten de Iraakse leveranties, zodra ze beginnen, worden ingepast.

Dat betekent een herstel van de discipline binnen Opec, die nu ver te zoeken is, èn het inleveren van produktievolume. Enkele belangrijke lidstaten, die een groter belang hechten aan het volume van de olie-export dan aan een hoge prijs, hebben daar moeite mee. Saoedi-Arabië, het belangrijkste Opec-land, heeft al 80 miljoen dollar bijgedragen aan de kosten van de VN-inspecties in Irak en Koeweit 20 miljoen, en daar willen ze in de vorm van olie-inkomsten compensatie voor. Koeweit komt opnieuw onder druk te staan om te kiezen voor solidariteit met zijn Opec-partners die tijdens de Golfoorlog ten koste van mensenlevens en veel geld hielpen het emiraat te bevrijden.

Gisteren heeft de Koeweitse olieminister Ali Ahmed al-Baghli in een eerste gesprek met Opec-voorzitter Jean Ping wel enige souplesse getoond, kennelijk omdat ook hij inziet dat een olieprijs van 16,50 dollar per vat voor zijn land erg onvoordelig uitpakt. Koeweit heeft immers enorme bedragen moeten investeren in het herstel van de door Irak beschadigde oliebronnen en de vernielde raffinaderijen. Louter in het belang van prijsherstel zou Koeweit zijn plannen voor een verdere verhoging van de export kunnen uitstellen.

Maar op termijn zou Opec ook weer economische solidariteit met Irak moeten tonen en daarvoor zou het nu nog wel eens te vroeg kunnen zijn.