"Particulieren zijn de goedkoopste beheerders'; F.C. Rauwenhoff, voorzitter Bosschap, wil bos privatiseren

In het concept-Bosbeleidsplan dat het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij deze week publiceerde, wordt voorgesteld het bosareaal in Nederland de komende 25 jaar met 750 vierkante kilometer uit te breiden. Het Bosschap en de Nederlandse Vereniging van Boseigenaren zijn er niet onverdeeld gelukkig mee.

'T HARDE, 22 JULI. “Een mooi plan, maar wederom een papieren plan”, verzucht F.C. Rauwenhoff. Hij is voorzitter van het Bosschap (bedrijfschap voor de bosbouw en houtteelt), tevens voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Boseigenaren, en lucht zijn hart over het concept-Bosbeleidsplan. “Als ze in Den Haag het roer niet omgooien, is het een illusie te menen dat Nederland over 25 jaar inderdaad die 75.000 hectare bos rijker is.”

In een omgebouwde stal van kasteel de Zwaluwenburg in 't Harde, waar zijn vereniging kantoor houdt, getuigt Rauwenhoff van waardering voor het streven Nederlands bosareaal aanzienlijk uit te breiden. Die 750 vierkante kilometer extra in het jaar 2020 - de helft van de provincie Utrecht - is zelfs overgenomen uit een advies dat onder zijn leiding tot stand kwam. “Als we dat waarmaken”, aldus de voorzitter, “is iedereen gelukkig: de natuurbescherming, de bosbouw, ja de hele samenleving, want meer bos betekent meer recreatiemogelijkheden. Het Bosbeleidsplan van de regering is een redelijk compromis tussen de behoeften aan natuur, hout en ontspanning in de open lucht.”

Maar in dezelfde adem stelt hij de vraag: “Hoe realistisch is dat plan, wat komt ervan terecht?” Een retorische vraag, want hij denkt dat er weinig of niets van terechtkomt. Tenzij de particuliere boseigenaar, daartoe financieel bijgespijkerd, een veel grotere rol gaat spelen bij beheer en exploitatie. Er moet volgens Rauwenhoff een verschuiving optreden van staatsbezit naar particulier eigendom, kortom: in het bos moet zich de privatisering voltrekken die op andere terreinen gemeengoed begint te worden. Daar zal het rijk, naar zijn stellige overtuiging, vooral financieel profijt van trekken, “omdat particulieren nu eenmaal de goedkoopste beheerscategorie vormen”.

Maar van een dergelijke verschuiving heeft Rauwenhoff in het Bosbeleidsplan niets kunnen bespeuren. In tegendeel, stelt hij, van het Nederlandse bosareaal was circa vijftig jaar geleden bijna 70 procent in particuliere handen, nu is dat 40 procent ofwel 1.200 vierkante kilometer.

Cijfers van het Landbouw-economisch Instituut maken duidelijk dat de particuliere bosbouw over bijna de hele linie verlies lijdt. “Dus hoef je van die kant geen medewerking aan bosuitbreiding te verwachten”, aldus Rauwenhoff, “en daarom zeggen wij tot de overheid: zorg dat de particulier op z'n minst quitte speelt.”

Dat kan volgens hem met de zogenoemde functiebeloning van ruim 200 gulden per hectare per jaar, die de comissie-Van Verschuer medio 1992 heeft aanbevolen. Functiebeloning betekent een honorering van de maatschappelijke functies die de boseigenaar vervult door zijn terrein open te stellen voor publiek en door de natuurwaarden van het bos te beschermen. Daar zou nog een fiscale regeling bij moeten komen om de privé-eigenaar tot investeringen aan te zetten.

“Maar staatssecretaris Gabor weigert dat advies over te nemen”, stelt Rauwenhoff vast. “Op het ogenblik wordt wegens geldgebrek zelfs helemaal geen subsidie uitgekeerd. Ook voor gemeenten die bos bezitten, is de kraan dichtgedraaid, dus ook daar staan ze niet te trappelen om nieuw bos aan te planten. Integendeel: steeds meer gemeenten bieden bos te koop aan. Zie bijvoorbeeld Apeldoorn, dat kort geleden de Loenermark van 1.200 hectare heeft afgestoten.”

Volgens Rauwenhoff is de staat, eigenaar van circa 1.000 vierkante kilometer bos, feitelijk de enige instantie die de benodigde middelen voor bosuitbreiding kan opbrengen, maar die moet in zijn visie juist een terugtrekkende beweging maken. “De rijksoverheid”, zegt hij, “dient zich te concentreren op bos met hoge natuurwaarden en de rest overlaten aan het particulier initiatief. Dat zal vele, vele miljoenen aan kosten schelen.”

En dan de boer, die wordt opgeroepen agrarisch terrein te herscheppen in bos. Rauwenhoff: “Als je dat nastreeft, moet je het de boer natuurlijk wel aantrekkelijk maken. Gabor biedt hem 1.200 gulden per hectare per jaar, maar de ervaring leert dat hij daar absoluut niet mee uitkomt. Het moet op zijn minst 1.500 gulden zijn, anders doet de boer het niet.”

Over het Nederlandse bos zijn de laatste jaren diverse officiële rapporten verschenen. Rauwenhoff pakt er één uit 1991: een evaluatie van het in 1986 verschenen meerjarenplan bosbouw. Daaruit blijkt dat de doelstellingen van destijds niet zijn gehaald en de voorzitter van het Bosschap somt ze staccato op: er is te weinig nieuw bos bijgekomen, de houtproduktie is achtergebleven bij de plannen, de vitaliteit van het bos is sterk verminderd door verzuring en verdroging, de bedrijfsresultaten in de bosbouwsector zijn negatief. Conclusie van de rijksoverheid (in de woorden van Rauwenhoff): “Wil je dat alles ten goede keren, dan is daar zeer veel geld mee gemoeid en dat is er eenvoudig niet.”

Rauwenhoff twee jaar jaar later: “Dat geld is er wel, althans grotendeels, als je het maar over een andere boeg gooit: die van de particuliere bosbouwer. Ik pleit ook niet voor meer geld, maar voor een ander beleid.” En hij pakt er nóg een stuk bij, getiteld "Goede gronden voor nieuw bos': het advies dat de commissie-bosuitbreiding onder zijn voorzitterschap in januari jongstleden heeft uitgebracht.

“Zie het voorwoord”, aldus Rauwenhoff, “daar staat het: bosuitbreiding in Nederland is maar gedeeltelijk een kwestie van geld; het is vooral een kwestie van politieke keuzen.”