Langs galgebergen en slangemuren; Dwalen als vermaak

Bezoek in het voetspoor van schrijvers en fotografen historische "landschapselementen' in Nederland. Een tocht langs galgebergen, hagelkruisen, slangemuren, doolhoven en heilige putten.

Over hagelkruisen, banpalen en pestbosjes: historische landschapselementen in Nederland. Uitgeverij Matrijs. Prijs ƒ 29,95.

In Beminde Gelovigen beschrijft Godfried Bomans hoe hij als kind vanuit Haarlem ter bedevaart trok naar Heiloo, een jaarlijks terugkerend schoolreisje op de fiets onder leiding van "overvloedig bellende en onnodig armen uitstekende' paters. Wat daar in Heiloo precies te vereren viel, was de jonge Godfried een raadsel. Men had er natuurlijk het "heilig putje', door Sint Jeroen persoonlijk gegraven en van geneeskrachtig water voorzien, maar de jeugd werd allerminst aangemoedigd die bron te bezoeken. Er bleek een luchtje aan te zitten en dat werd na de oorlog bevestigd, toen de paus Sint Jeroen van de lijst der heiligen schrapte en de put verstopt raakte.

Onduidelijk is waarom de paters hun pupillen niet naar het nabijgelegen Egmond-Binnen brachten. Ook daar bevond zich een heilige bron, gelieerd aan de boven alle twijfel verheven Sint Adelbertus, een Engelsman die te Egmond het christendom uitdroeg en omstreeks 740 ter plaatse is gestorven. De gemetselde put is er nog steeds en staat, met foto en al, vermeld in het onlangs door de stichting Matrijs uitgegeven boek Over hagelkruisen, banpalen en pestbosjes, een verzameling van 53 historische objecten in het Nederlandse landschap.

In het voetspoor van schrijvers en fotografen bezoeken we zes van die objecten: een eigen, nogal willekeurige keus, die ons soms naar verrassend mooie stukjes van Nederland brengt. Wat we links laten liggen, zijn onder andere graft (middeleeuwse erosiebestrijding) en boo (eenvoudigste boerderijvorm), mijnberg, zoutboortoren, schans en voorde (doorwaadbare plaats). Ook de banpalen en pestbosjes uit de titel houden we voor gezien om onze aandacht te richten op galgeberg, molen met spreng, hagelkruis, slangemuur, doolhof en heilige put.

Die laatste laat zich dus bij Egmond-Binnen bekijken, in een bosje op enkele kilometers van het Noordhollandse dorp waar eertijds Sint Adelbertus begraven lag. Men bouwde er een kerk, die later weer verdween, zodat alleen de put, nauw verbonden met de heilige en diens vermogen wonderen te verrichten, overbleef. De plek moet ooit een centrum van devotie zijn geweest. Als wij er komen, op het heetst van een zomerse dag, valt niets van dien aard te bespeuren. We zijn zelfs de enige bezoekers. Verreweg de meeste mensen richten hun pelgrimage zeewaarts.

In de afdeling "religie' passen ook de hagelkruisen, kenmerkend voor vanouds rooms-katholieke streken als Brabant en Limburg. Ze moesten het gewas beschermen tegen natuurrampen, speciaal tegen hagel, die grote schade kon aanrichten, en vormden vaak het keerpunt van een processie. Het kruis waar de redactie van Matrijs haar oog op liet vallen, staat vlakbij de Maas in Kessel (iets onder Venlo) en wordt omgeven door twee lindebomen. Jammer dat de foto werd genomen toen de lijdende christusfiguur tijdelijk voor herstel was weggehaald.

Om een doolhof te zien en ook te beproeven, wijken we van het boek af door niet die van Goor (Overijssel), maar het bescheiden labyrint van kasteel Sypesteyn in Loosdrecht te bezoeken. Wie kent ze niet van de schoolreisjes? Dwalen als vermaak, maar dan wel in een filosofische context, want doolhoven symboliseren volgens de schrijver de menselijke levensweg. De afgelopen jaren zijn er helaas twee - in Oud-Valkeveen en Oranjewoud - gerooid, maar daar staat tegenover dat er sinds 1972 vijf nieuwe werden aangelegd. Doolhoven bestaan blijkens de tekst meestal uit wintergroene hagen van taxus, liguster, thuja of hulst. Die van Loosdrecht is opgetrokken uit middelhoge beukenhagen en schijnt van omstreeks 1700 te dateren. Dat we juist hier belanden is geen toeval. Zojuist zijn de stijltuinen van Sypesteyn na een twaalf jaar durende restauratie weer voor publiek opengesteld en we hebben nog geluk ook, want de slothof dient als decor voor een fraaie beeldententoonstelling.

Daar in de buurt, in 's-Graveland, ligt het landgoed Schaep en Burgh, zetel van Natuurmonumenten en vindplaats van een van de twaalf slangemuren die Nederland telt. Het gaat om tuinmuren die in de lengterichting een golvende lijn beschrijven, waardoor een soort nissen onstaan die de zonnewarmte beter opvangen en vasthouden. Er werden vroeger fruitbomen tegen geplant, die dank zij het milde "microklimaat' sneller tot wasdom kwamen en eerder vrucht gaven dan elders. In 's-Graveland wordt de traditie in ere gehouden met een serie pruimeboompjes, niet voor commerciële doeleinden, maar om de medewerkers van Natuurmonumenten te gerieven.

In de bossen achter Renkum herinnert een vervallen watermolen aan een verdwenen nijverheid: die van de papierindustrie op waterkracht, waarvoor een rijk stelsel van beekjes de voorwaarden schiep. Van alle molens is alleen deze, de Quadenoordse, bewaard gebleven, maar het kost wel moeite de bouwval te vinden. "Molen met spreng' luidt de titel van het bewuste hoofdstuk, dat de nodige uitlegt geeft. Een spreng is een zijtak van de beek, destijds door de molenaar eigenhandig gegraven in de helling van het beekdal om grondwater aan te snijden en zo terwille van zijn bedrijfje een sterker verval te creëren.

Van Renkum naar Amerongen is maar een peuleschil en dan nog één die de moeite loont, want bij dit welgestelde dorp aan de Neder-Rijn valt, althans voor Nederland, iets unieks te zien: de in 1981 blootgelegde bakstenen fundamenten van de Amerongse galgeberg. Ze stammen uit de tijd van de "halsmisdaden', die met de dood door ophanging, onthoofding en dergelijke werden bestraft. En daarmee hield de openbare executie niet op. Vaak werden de lijken naar de galgeberg buiten de stad gesleept en opnieuw opgehangen als afschrikwekkend voorbeeld voor lieden met criminele oogmerken.

“Galgebergen,” meldt de schrijver, “bevonden zich vanwege de onaangename reuk op ruime afstand van de bevolkingscentra, maar lagen wel op strategische punten: langs belangrijke wegen en op plaatsen waar ze goed zichtbaar waren. De bezoekende vreemdeling kon dan overduidelijk zien dat hier met het recht geen loopje werd genomen.”

De Amerongse galg bestond uit drie stenen zuilen, aan elkaar verbonden met een staaf, waaraan de kettingen met gestraften hingen. De fundamenten van die zuilen vindt men in een bosje aan de rand van een brede uiterwaard. Een goed gekozen locatie, daar langs de doorgaande weg naar Rhenen en prima zichtbaar vanaf de Rijn. De galg moet er gestaan hebben tussen 1350 en 1800, maar of ze ooit aan haar doel heeft beantwoord, is de vraag. Wat dat betreft zet de auteur een lichte domper op het curieuze geval: “Waarschijnlijk is deze galg vrijwel nooit gebruikt.”