Kaakloze vissen

De kaakloze vissen of Agnatha zijn primitieve vissen waarvan er tegenwoordig nog maar enkele soorten bestaan, zoals de lamprei en de prik. De meeste fossiele vormen waren voorzien van een zware bepantsering, maar de thelodonten of "tepeltandigen' (van het Griekse thèlè = tepel en odoon = tand) waren slechts bedekt met een soort maliënkolder van huidtandjes.

Van theolodonten is doorgaans niet meer terug te vinden dan losse, gefossiliseerde huidtandjes. De oudst bekende dateren van het Boven-Ordovicium (ca. 460 miljoen jaar geleden), de jongste uit het Boven-Devoon (ca. 350 miljoen jaar geleden). Op grond van de vorm van de huidtandjes worden verschillende soorten onderscheiden. Huidtandjes van thelodonten worden vaak gebruikt voor biostratigrafie: het dateren en correleren van gesteentelagen aan de hand van kenmerkende fossielensoorten.

Van slechts een handvol thelodontensoorten zijn de contouren van het hele lichaam bekend. De lengte van kop tot staart varieert van enkele centimeters tot ongeveer een meter. De Schotse thelodonten hebben een brede kop met de ogen opzij aan de voorzijde, en een verhoudingsgewijs kort lichaam met een naar beneden wijzende staartvin. Anatomische details zijn helaas zelfs in de beste fossielen nauwelijks te onderscheiden.

Door het vrijwel totale gebrek aan inwendige structuur was het tot nu toe onmogelijk om de thelodonten een juiste plaats toe te kennen in de evolutie van de vissen. Nu de structuur van de interne beschubbing, de reukorganen en de neus-keelbuis voor het eerst is opgehelderd, is echter een plaats dichtbij de directe voorloper van de kaakdragers waarschijnlijk.