Het wonder van de kleine Griekse eilanden

Elk jaar opnieuw lijkt het definitieve einde van Griekenland als aangenaam vakantieland aan te breken. En elk jaar opnieuw blijken er plaatsen te zijn waar van geen einde sprake is, waar alles nog precies is zoals het moet zijn. Waar de zee wijnkleurig en veelvissig is, waar geen wegen zijn om op te brommen, waar het naar thijm ruikt en de nissiotika klinken, zoals het hoort.

Wat is er nu toch zo geweldig aan Griekenland? Zijn die eilanden dan niet afschuwelijk druk. Lijden de Grieken dan niet aan wat Gerrit Komrij ooit treffend "concretomanie' heeft genoemd, de neiging om alles vol te storten met beton. Hebben ze niet de neiging om van elk strand een vuilnisbelt te maken, voor zover dat nog nodig is en zo'n strand al niet van nature vol olie zit. Scheuren er niet dag en nacht vlotte jongelui op brommers over die zo langzamerhand aardig geasfalteerde eilandparadijsjes. Is de Griekse muziek niet vervangen door toeristensirtaki of zelfs geheel opzij gezet ten gunste van golden hits uit de hippe jaren zeventig (nergens kun je zo vaak The Doors horen als in Griekenland). Zijn de mooiste witte stadjes niet veranderd in één groot terras voor vijftig verschillende quasi-originele tentjes waar oplichters je in vlot Engels een slordige imitatie van een moussaka willen aansmeren.

Jajaja. Dat is allemaal waar.

Toch is het ook allemaal niet waar.

Elk jaar opnieuw lijkt het definitieve einde van Griekenland als aangenaam vakantieland aan te breken. En elk jaar opnieuw blijken er plaatsen te zijn waar van geen einde sprake is, waar alles nog precies is zoals het moet zijn, waar het naar thijm ruikt en naar vis smaakt en de nissiotika klinken, zoals het hoort. Dat is het wonder van de kleine eilanden, de armelijke dunbevolkte rotsachtigheden die op het eerste gezicht weinig te bieden hebben. Moge dat eerste gezicht iedereen nog lang blijven bedriegen. Dat de goden ze sparen, het boerse Sikinos, het lieflijke Folegandros, het hoge Anafi met zijn gouden stranden, het verlaten Thirassia, het ronde Schinousa van de vele baaien, het stenige Iraklia. Daar is de zee nog echt wijnkleurig en veelvissig, daar zijn geen wegen om op te brommen, daar zijn de ezeltjes nog geen folklore maar noodzaak. Boeren knopen er een zakdoek op hun hoofd en maaien het graan met een sikkeltje. Een vrouw spant er twee ezels voor een houten ploeg en ploegt een stoffig veldje. Komt er een toerist voorbij dan zeggen ze: Hé, een vreemdeling. Gegroet!

De wonderlijkste van al deze wonderbaarlijkheden is wel Thirassia, een eiland waar niemand van gehoord heeft, waar boten naartoe schijnen te gaan op tijdstippen die geheim worden gehouden, waar geen klap te doen is en geen mens te bekennen. Toch wordt het eiland dagelijks tussen één en drie uur door flinke groepen toeristen bezocht ("daar komt to group', zeggen de Grieken die het niet de moeite vonden een eigen woord voor groep te verzinnen), maar van die bezoekers blijft nooit iemand op het eiland achter. Om drie uur klappen alle restaurants hun deuren dicht en blijven stijf gesloten tot de volgende dag. Om twaalf uur 's middags zet men de stoeltjes weer recht, veegt de boel aan, stookt de grill op, trekt een uitnodigend gezicht waarop te lezen staat dat de kippetjes nergens zo voortreffelijk zijn als hier, en dan begint de zang van het eiland: komt u toch verder, alstublieft, gaat u zitten, komt u toch verder, moussaka, gehaktballetjes, spaghetti, sla, alstublieft, komt u toch verder, gaat u zitten, alstublieft, inktvisjes, alstublieft ...

Nadat de dagtochtjes-toeristen zijn verdwenen, wordt het heel stil op Thirassia. Alle deuren zijn dicht. De cycladische stormwind fluit tussen de huizen. Er zijn geen cafés, ook de bakker is dicht en van de twee "allesverkopers', een heel eenvoudig soort van supermarkt waar het super-gedeelte niet aan zit, gaat er maar eentje om vijf uur weer open. Er lopen nauwelijks mensen door de smalle straatjes, die zitten binnen in hun in de rotsen uitgehouwen huisjes. In de diepte ligt de zee, met de dreigende zwarte massa van de vulkaankrater. Aan de overkant ligt Santorini, de parel der cycladen, waar de mensen in het hoogseizoen elkaar bijna van de rotsen het water in duwen, zo druk is het er. Maar hier op Thirassia is het stil, om niet te zeggen, volkomen verlaten.

Een druk eiland is meestal niet voor niets druk. Mykonos heeft een beeldschone haven, een stralend wit stadje en bovendien nog flinke zandstranden. Ios heeft veel strand en had een prachtig stadje - of heeft, voor wie kans ziet alle Irish bars, fast food Grigoris, very fast food Manolis, brommerverhuurs, T-shirtenwinkels en harde snertmuziek te negeren - en Santorini is gewoon het mooiste eiland dat er bestaat. Wie erheen gaat moet dat beslist per boot doen, alleen dan laat het eiland zich zien zoals het gezien moet worden. Santorini is de rand van een vulkaan die ooit de grootste ramp uit de oudheid veroorzaakt moet hebben. Het eiland is halve maan-vormig, en vormt samen met het tegenover gelegen, veel kleinere Thirassia en een flinke onbewoonde rots de resten van een cirkel. In het midden van die cirkel ligt een zwart stenen naar zwavel stinkende kwal: de krater. Een heel hoge donkere rotswand rijst recht op uit zee en over de rand drupt, als slagroom, de stad Thira. Op de punt van Santorini ligt nog het droomachtig mooie Oia (spreekt uit "Ia') van waaruit je de zon kunt zien ondergaan, ondergaan, oh! Helaas weet iedereen in Oia van waaruit je de zon zo mooi kunt zien ondergaan en staat men er mannetje aan mannetje met het fototoestel in de hand klaar om af te drukken, een, twee, ja, nu!

In Thira kun je aan de rand van de krater eten, met uitzicht over de door Santorini en Thirassia omsloten kom van zeewater, met uitzicht op de zwarte kwal ook, liefst spookachtig uitgelicht door de volle maan. Zo iets moois is nauwelijks ergens anders te vinden. Spijtig is wel dat men al om zeven uur present moet zijn om een plaatsje aan de rand te vinden. Kom je later, dan staat er een rij voor de uitzicht-op-de-krater-restaurants. De obers snauwen er, want zij weten wel dat zij een view ter beschikking hebben waarbij alles in het niet valt, ook het geserveerde eten, dat dan ook smakeloos en peperduur is.

Op Santorini is alles verkrijgbaar, alles te huur, alles te eten. Felgekleurde autootjes zoeven naar de stranden van zwart kiezel waarop de kleurige bootjes zo mooi afsteken, tussen de wijngaarden swingen de disco's, juweliers bieden gouden meanderende armbanden, snackbars verkopen de overheerlijke broodjes "giros', een Griekse variant van de shoarma, en oneindig veel lekkerder. Op elke straathoek zit een reisbureau waar men kamers of hotels kan regelen, waar men vliegtickets verkoopt - want het eiland heeft een eigen vliegveld - en boottickets aanbiedt naar alle andere cycladen, naar Rhodos en Kreta, naar Israel zelfs - maar niet naar Thirassia. Santorini is een heel volwassen, modern eiland met de mooiste cycladische architectuur die zich maar denken laat. De allergriekste ansichten, waarop witte kerkjes met blauwe koepels hoog boven een azuren zee glinsteren in de zon, die ansichten zijn altijd gefotografeerd op Santorini.

Op Thirassia, aan de overkant, is niets. Geen belangwekkende opgravingen, alleen het verlaten stadje Kera, waar de ronde zandstenen holen in de rotswand aan wie wil al hun geheimen prijsgeven. Geen disco's, zelfs geen eenvoudig muziektentje. Geen taxi's, alleen een open vrachtautootje dat in zijn laadbak twee bankjes heeft neergezet. Er zou voor een taxi ook niet veel te doen zijn, er is maar één verharde weg die van de haven aan de noordpunt naar het zeer kleine hoofdplaatsje loopt. In dat hoofdplaatsje, Manolás genaamd, is, zoals gezegd, ook zo goed als niets. Geen snackbars, geen cafés, geen winkels, alleen wat stijfgesloten huisjes en een paar dichte restaurants. En, ongelooflijk maar waar, een hotel. Hotel Cavomare, nog fonkelend van nieuwigheid, met een zeewaterzwembad en losse, in de typische Santorijnse stijl gebouwde appartementen. Cavomare biedt royale kamers met luxe, diepblauw betegelde badkamers, warm en koud stromend water uit elegante kranen, dikke, donzige witte handdoeken, roze zijden gordijnen, porseleinen lampekappen, telefoon op de kamer, mahoniehouten kasten - maar gasten zijn er niet. Want op Thirassia wil niemand blijven.

De toeristen die overdag komen, hebben op Santorini een dagtochtje naar de vulkaan geboekt, met als extraatje een bezoekje aan Thirassia waar u gelegenheid hebt te lunchen. Ze komen, de Duitsers in zwembroek, de Fransen op hakjes, de Italianen met dure zonnebrillen en zien niets wat ze op Santorini niet ook zien. De oude haven waar de bootjes aanleggen ligt aan de voet van de hoog oprijzende zwartbruine rotsen. Aan het haventje staan restaurantjes en scheepsloodsjes, witte gebouwtjes met ronde daken. Er drijven vissersbootjes in het knalblauwe water en er staan ezels klaar om degenen die opzien tegen de lange klim naar boven, omhoog te dragen. Dat heb je op Santorini ook, alleen meer ezels en duurdere restaurantjes en meer boten. Boven hangt op de rand net zo'n stad als Thira is, alleen is het hier geen stad maar een dorp, en wat voor een dorp. Saai saai saai. Aan het einde van het eiland, op het uiterste zuidpuntje ligt het kloostertje Koimisi, verlaten natuurlijk. Nee, dan het spectaculaire klooster Profiti Ilias op de hoogste top van Santorini, waar nog enkele originele monniken rondlopen. Helaas staan er reusachtige radiomasten naast, maar aangezien bijna niemand zich nog voor kloosters interesseert, maakt het verder niet veel uit.

Arm Thirassia. Het heeft zo weinig in het oog springende charmes. De weergaloze zonsondergang vanaf Koimisi ziet niemand, men is dan allang weer terug in Oia waar je met z'n allen de zon zo prachtig onder ziet gaan. Hoe de avondzon Santorini beschijnt ziet niemand, want het terras van hotel Cavomare, waar altijd voldoende plaatsen met uitzicht op de krater zijn, is leeg. Terwijl ze aan de overkant, gezeten aan hun met moeite veroverde tafeltjes, de kurken van de peperdure flessen Santorijnse wijn trekken, komt Kostas Varvarigos, de zachtaardige megalomaan die het in zijn hoofd heeft gehaald hier een hotel neer te zetten, naar buiten met een kannetje. “Onze eigen wijn,” zegt hij met nauwverholen trots. Onze eigen wijn houdt het midden tussen witte wijn en sherry, onze eigen wijn is koppig en heerlijk en lachwekkend goedkoop. Bij de wijn serveert Kostas een maaltijd - er is ruime keus, want tussen de middag komen de lunchers ook bij hem. Maar van deze avondlijke genoegens heeft niemand weet. Later op de avond komt de kapitein van een toeristenbootje zijn ouzootje drinken, een ezeldrijver stapt even af voor een praatje en een kopje koffie, de assistent van Kostas neemt een biertje. Ze praten wat, de erbarmelijke geluidsinstallatie speelt eilandenmuziek, de wind speelt met de tafelkleedjes van alle lege tafeltjes. De maan schijnt op de krater.

Laat het eiland toch altijd zo blijven. Zo saai, zo stil. Laten er nooit hordes mensen komen liggen aan de zee bij Riva, waar de officiële haven is. Nu is het lange grijze kiezelstrand bijna de hele dag verlaten. Behalve op de dagen dat de ferryboot van Thirassia, de Theoskepastis, zich vermomt als toeristenboot en de toeristen een extra goedkoop dagtochtje aanbiedt. Degenen die daar op ingaan worden niet naar de oude haven met het ezelspad gebracht, maar naar Riva, waar een bus en de gemproviseerde taxi ze proberen te verleiden om naar Manolás of zelfs naar het klooster te gaan. Speciaal voor deze dagtochtjes zijn er ook twee taverna's aan het strand. Manolis, de eigenaar van het meest oostelijke tentje, is behalve restaurateur ook visser. “Ik ga elke dag vissen,” zegt hij “want als de toeristen komen wil ik kunnen zeggen: "fresh fish' en niet liegen.” Zijn verse visjes zo van de grill met een kannetje "eigen wijn' zijn in staat om de meest zwartgallige mens in een levensgenieter om te toveren. En dan is er weer het stille strand, voor een middagdutje in de schaduw van een rotsblok.

Ach, lieftallig en eenvoudig Thirassia. Hoe de werkzaamheden aan de haven te stoppen, waar een nieuwe pier wordt aangelegd, hoe te voorkomen dat de grote passagiersschepen er gaan aanleggen? Het is natuurlijk niet tegen te houden. De mensen zullen komen. Ze zullen zich vervelen. Er zal speelgoed voor ze verzonnen worden: waterscooters, patatkramen, openluchtdisco's. Thirassia, het achterlijke broertje van Santorini, zal rijk en modern worden. Laten we afspreken dat niemand er heen gaat. Dan blijft het zoals het is: ongezien, onbedorven.