Het jaarlijkse prestige-object van Mart. Spruijt; Surfen over een zee van beelden

Nederland kent twee podia waarop het drukkersvak zich jaarlijks presenteert.

Het ene is het jaarboek van het Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen, een altijd ambitieuze onderneming waaraan een groot aantal bedrijven meewerkt en waarvoor elk jaar andere vormgevers en een andere redactie worden uitgenodigd. Het andere is een project juist van één bedrijf: de kalender van drukkerij Mart. Spruijt, die traditiegetrouw pas in het voorjaar verschijnt. Niet alleen de vakwereld ziet reikhalzend uit naar beide uitgaven, ook daarbuiten hebben ze de status van collector's item verworven.

Al een paar jaar vertrouwt Spruijt aan Samenwerkende Ontwerpers de verantwoordelijkheid toe voor zowel het concept als de vormgeving van zijn jaarlijkse prestige-object. Het bureau koos als thema voor 1993-'94 "fascinatie', een oververmoeid en aan inflatie onderhevig verzamelbegrip dat van alles kan inhouden, dus ook helemaal niets. De inhoud heeft ontwerper André Toet gezocht bij dertien in Nederland woonachtige fotografen. Ieder van hen kreeg vier bladen (= weken) om een aan hun eigen fascinatie gewijd portfolio te maken.

Het idee van een reeks portfolio's wordt nog versterkt door de vormgeving. In een uitvouwbare kartonnen doos liggen dertien afzonderlijke pakken glanzend roomkleurig papier; alleen een touwtje bovenaan houdt ze, samen met de rug van de doos, bij elkaar. Om erin te kunnen bladeren moet je ieder portfolio langs de perforaties aan de onderkant openscheuren: net als met Franse boeken waarvan de bladzijden nog moeten worden opengesneden heeft dit iets opwindends maar ook huiveringwekkends. Het is een daad van noodzaak en van openbaring, maar tegelijk van vernieling: de ontmaagding van een nieuw jaar.

Vier foto's zijn weinig om het begrip fascinatie tot leven te wekken. Van de dertien fotografen hebben er maar weinig zichzelf zo streng weten te beperken, dat ze in die geringe ruimte een overtuigend verhaal kwijt kunnen.

André Thijssen houdt het klein: zijn fascinatie betreft platgereden dieren. Hij maakt er foto's van en bewerkt die vervolgens met grafische technieken. De dood, eerst teruggebracht tot twee verstilde dimensies om daarna tot drie te worden opgerekt door de fijnmazige structuur van de foto met daar overheen het raster van de grafische bewerking. Op een heel andere manier ontroerend, maar evenzeer genadeloos, zijn de foto's die Ad Nuis maakte van dansende bejaarden.

Hannes Wallrafen loopt vlak langs de afgrond door met vier foto's het schier eindeloze thema "aantasting en tijd' te willen uitbeelden. Een kamer vol klokken, een gecorrodeerd gezicht, een hoopje beeldschoon uitgelicht oude aardappelen in een kartonnen doos. En dan, eind november, komt het krachtigste beeld van alle 52: in een kamer springt een wit paard over een tafel heen waarop een opengeslagen boek en een leesbril liggen. Een droom, maar één om schreeuwend en zwetend uit wakker te worden.

“In tegenstelling tot een aantal eerdere uitgaven,” schrijft Spruijt met droge zelfkennis in het begeleidende persbericht, “is het calendarium overzichtelijk en derhalve goed bruikbaar. Nu het elitair ontwerpen aan zijn grenzen is geraakt en vormgeving een ingeburgerd begrip is, wilden we een tegenhanger van wat er momenteel op het gebied van het grafisch ontwerpen geboden wordt.” Misschien is het deze hang naar eenvoud - overigens net zo modieus als dat "elitair ontwerpen' - die de ontwerpers ertoe heeft gebracht alle cijfers en belettering (waaronder het voorwoord van de nieuwe directeur John Thackara van het Vormgevingsinstituut) met de hand te tekenen. Helaas is daarbij gekozen voor een typografie en een illustratie-achtige tekenstijl die aan de gesoigneerde layout van een glossy tijdschrift doen denken.

In zijn korte voorwoord heeft Thackara het over de enorme hoeveelheid beelden die de moderne mens te verwerken krijgt, een veelheid die ook als "semiotische vervuiling' wordt aangeduid. Thackara zelf neemt beelden niet afzonderlijk tot zich, maar tezamen, als een omgeving. “De meeste mensen surfen moeiteloos over de zee van beelden heen,” schrijft hij. Ik vrees dat dit voor de kalender zelf ook geldt. Het intrigerendste eraan is de vraag welke exemplaren straks antiquarisch het meeste geld zullen opbrengen, de dichte of de opengescheurde.