Erika Mann sprak vrijmoedig tegen de FBI, maar spioneerde niet

Bespioneerde Erika Mann tussen 1940 en 1951 haar beroemde vader Thomas en rapporteerde zij aan de Amerikaanse FBI wat er in haar ouderlijk huis in Pacific Palisades in Californië besproken werd tussen Thomas Mann en beroemde Duitse literaire immigranten als Zuckmayer en Feuchtwanger? Deze indruk zou kunnen worden gewekt door een insinuerend artikel van de Amerikaanse literatuur-historicus Alexander Stephan in het in Berlijn verschijnende blad Neue Deutsche Literatur. Onze correspondent in Bonn berichtte hierover in de krant van zaterdag 17 juli.

Stephan rapporteert in dit artikel over de inhoud van oude FBI-dossiers die hij ter inzage heeft gekregen dankzij de Amerikaanse Freedom of Information Act van 1966. De dossiers over Erika Mann leren, aldus Stephan, dat zij vrijwillig informatie verschafte aan de FBI over het milieu van Duitse ballingen in de Verenigde Staten, waarin zij als dochter van Thomas Mann en als anti-fascistische journaliste en cabaretière (het beroemde anti-nazistische cabaret Die Pfeffermühle was haar geesteskind) een prominente plaats had.

Ook bracht zij de FBI in contact met twee goed in dit milieu ingevoerde informanten. Haar eigen ex-secretaresse schoof zij naar voren als mogelijk vertaalster uit het Duits. Zelf, zo blijkt uit Stephans artikel, hielp zij de FBI met het ontmaskeren van Duitse ballingen wier verledens niet van nazismetten vrij waren geweest.

Zoals bekend waren de FBI en zijn almachtige directeur J. Edgar Hoover eigenlijk meer genteresseerd in pro-communistische dan in pro-fascistische Duitse immigranten. Over bijna alle intellectuelen die uit Europa naar Amerika waren gevlucht legde de FBI dossiers aan. In 1937 al een over Thomas Mann, van wie Hoover overtuigd was dat hij communist was of in elk geval een meeloper, een fellow traveller, zoals Hoover in een memorandum in mei 1942 aan zijn collega Ladd schreef. Zo waren er ook dossiers over Thomas Manns broer Heinrich, over Erika zelf en zoon Klaus, over schrijvers als Zuckmayer en natuurlijk over figuren die openlijk met het communisme sympathiseerden, als Bertolt Brecht (die Thomas Mann net zo verafschuwde als Mann hem) en Anna Seghers.

Uit Stephans artikel blijkt dat de FBI Erika Mann, ook al werd zij zelf verdacht van ultra-linkse sympathieën (of van wat Hoovers FBI zo onthullend noemde: “Premature Anti-Fascism”), ook met enige omzichtigheid had gevraagd naar communistische activiteiten en sympathieën van Duitse immigranten. Zij vertelde daarover vrijuit, aldus de geciteerde FBI-dossiers. Maar dat zij meer deed dan in dit verband het standpunt van haar vader, dat zij deelde, over de verwerpelijkheid van het totalitaire communisme uiteenzetten blijkt niet uit Stephans artikel. Dat Erika haar vader in opdracht van de FBI bespioneerde beweert hij nergens.

Eerder blijkt uit Neue Deutsche Literatur dat Thomas Mann heel goed op de hoogte moet zijn geweest van de connecties van zijn dochter met de FBI. FBI-agenten bezoeken haar steeds in het Californische huis van haar vader. De laatste twee keer in 1951: eerst toen zij in juni na een operatie in het Billing's Hospital in Chicago bij haar ouders was aangekomen; de FBI hoopte dat zij informatie zou hebben over Guy Burgess, de Britse spion die naar Moskou was ontkomen. Erika, die Burgess via haar wettige echtgenoot, de Engelse dichter W.H. Auden, wel eens vluchtig had ontmoet, kon de FBI niets melden.

Daarna voelde in oktober 1951, ruim een half jaar voordat de familie Mann weer naar Zwitserland verhuisde, een FBI-man haar aan de tand over haar contacten met de communistische partij. Zij bleek die “een grote bedreiging van de vrijheid in de democratische landen” te vinden, “te vergelijken met wat in de jaren dertig en veertig het fascisme was geweest”.

Waarom onderhield Erika Mann deze contacten met de FBI? De dossiers geven er geen antwoord op. Literatuur-historicus Stephan speculeert daarom een beetje. IJdelheid misschien? Opportunisme? Of echte politieke overtuiging? Of probeerde zij voor zichzelf en haar familie de deur naar de politieke elite van Amerika te openen? Voor de laatste speculatie getuigt van weinig benul: de familie Mann onderhield directe contacten met president Roosevelt en had door de met haar zeer bevriende Eugene Meyer, de uitgever van de Washington Post, en diens vrouw Agnes entree in de hele Amerikaanse politieke uppercrust.

Eerder ligt voor de hand dat Erika Mann tijdens de oorlog met de FBI wilde samenwerken om dubieuze, misschien zelfs nazistische elementen onder de Duitse immigranten te ontmaskeren. Later zal zij de federale politie te woord hebben gestaan omdat het met het opkomende McCarthyisme (waarover Thomas Mann steeds met afschuw en ontzetting schreef) van belang was elke verdenking tegen haar en haar familie van pro-communistische neigingen de kop in te drukken.

Een groot schandaal over Erika Mann als gewetenloze spion lijken de FBI-dossiers niet op te leveren. Dat de auteur van het artikel in Neue Deutsche Literatur, dat bij het voormalig Oostduitse Aufbau Verlag verschijnt, zijn relaas toch op enigszins hoge toon vertelt, lijkt andere oorzaken te hebben. Alexander Stephan begint zijn artikel met de overpeinzing dat in onze tijd schrijvers zowel in totalitaire als in democratische staten door geheime diensten geobserveerd worden. Om dan zijn "onthullingen' te besluiten met de stelling dat het "geval Erika Mann' leert dat ongegronde verdenkingen en beschuldigingen “in een tijd waarin in Duitsland onzorgvuldig en onverantwoordelijk met materiaal van geheime diensten wordt omgesprongen” moeten worden vermeden.

Wordt daar een parallel getrokken tussen Christa Wolf en andere Oostduitse schrijvers met hun vroegere contacten met de Stasi? Het lijkt erop. Maar de DDR was de Verenigde Staten niet en de Stasi was geen FBI, al moet gezegd worden dat de laatste tijdens het McCarthyisme onder de bezielende leiding van de chanterende, intimiderende aan xenofobie lijdende J. Edgar Hoover veel trekken van de totalitaire tegenstander had overgenomen.