Een drijvend dorp

De ophef rond de aankomst in Amsterdam van de hotelboot "Amstel' roept herinneringen op aan een ander schip dat, in 1966, de gemoederen in de hoofdstad bezighield. In dat jaar kocht de Dienst Studentenhuisvesting (DSH) de "Caledonia' van de Britse Royal Mail Line. Jarenlang had de oceaanstomer een lijnverbinding onderhouden tussen Bombay, Calcutta en Hongkong. Nu kreeg het schip dankzij de pas benoemde voorzitter van de DSH, de jonge hoogleraar economie Arnold Heertje, een nieuwe bestemming. Het zeekasteel van 150 meter lengte, met zes dekken, verschillende lounges en een zwembad moest de nijpende woningnood onder studenten lenigen.

Net als de aankomst van de "Amstel' verliep ook de intocht van de "Caledonia' niet onopgemerkt. De gemeente Amsterdam voelde zich nogal overvallen door de voortvarendheid van de DSH. Terwijl een schriftelijk verzoek over een mogelijke ligplaats nog op behandeling lag te wachten, stoomde de "Caledonia' al op naar Amsterdam. Jaren later weet Heertje zich nog te herinneren dat hij door de toenmalige burgemeester, Van Hall, 's ochtends vroeg uit bed werd gebeld. Er ontspon zich het volgende telefoongesprek:

Van Hall: “Ik sta me hier te scheren en ik hoor het nieuws: de Caledonia ligt bij IJmuiden voor de sluizen.”

Heertje: “Nou, dat is prachtig. Dan moet u het schip maar in Amsterdam in een van de grachten leggen.”

Van Hall: “Bent u helemaal gek geworden! Wat denkt u eigenlijk wel, zo'n schip, dat kan maar niet zo in een van de grachten komen!”

Heertje: “Dat moet toch kunnen, dat is toch niet zo verschrikkelijk moeilijk?”

Van Hall: “U schijnt te denken dat het een klein bootje is. Maar het is een hele grote boot en die kan maar niet zo worden neergelegd. Daar zijn allemaal procedures voor. Bovendien, de grachten zijn niet diep genoeg. Kunt u dat schip niet terug laten gaan?”

De "Caledonia' werd uiteindelijk verbannen naar het Westelijk Havengebied. In die tijd was dat niet veel meer dan een kale zandvlakte waar de wind vrij spel had. Maar voor de bewoners werden de barre omstandigheden buiten meer dan goed gemaakt door wat ze binnen aantroffen. Naast de grote leren fauteuils, een vleugel, het zilveren bestek en de koperen scheepsklokken was er een ruim vol met feestartikelen: toeters, feestneuzen en slingers. Er was een volledig ingerichte kapsalon, een kinderkamer met hobbelpaarden en een tandartskamer met alle apparatuur. In de kasten lag het linnengoed hoog opgestapeld, het meeste nog in pakken. De studenten maakten daar gretig gebruik van, net als de hoofdmachinist, die met de gesteven witte lakens zijn machines poetste. Desondanks waren de woonomstandigheden op de "Caledonia' niet ideaal. De hutten waren klein en gehorig, van elkaar gescheiden door dunne wandjes met roosters langs het plafond.

De DSH vond het te gevaarlijk voor vrouwen om de lange, onverlichte weg naar het schip af te leggen. Daarom mochten er alleen mannen aan boord. Maar door de grote afstand tot de stad was het schip ondanks de kamernood weinig in trek. Zes maanden na het in gebruik nemen stonden er al honderd hutten leeg. Wat overbleef was een merkwaardig soort dorpssamenleving met veel trekjes van een typische kazernecultuur. De "Caledonia' werd berucht en beroemd om het intensieve sociale leven. Contact met de buitenwereld was er weinig, het was ook niet nodig. Drie machinisten en een kok zorgden voor het onderhoud van het schip en zijn bewoners. 's Ochtends kwam iedereen in z'n ochtendjas en op pantoffels ontbijten, de rest van de dag werd doorgebracht in de lounge, de bar, en, als het warm weer was, in het zwembad. De studenten moesten alleen van boord om naar college te gaan. Maar de eerste winter was zo koud dat alleen de zeer volhardende studenten dat konden opbrengen.

Toen in 1967 de studentenpsycholoog "zeer verontrustende' rapporten schreef over de "Caledonia', besloten de curatoren van de universiteit het schip te laten verslepen naar het Stenen Hoofd, achter het Centraal Station. De verhuizing loste de problemen niet op, integendeel. Door ongecontroleerde onderhuur werd het schip volgens de DSH al snel bewoond door “zwervende hippies en beatniks, Amsterdamse clochards, drugs-handelaren, vreemdelingen van allerlei nationaliteiten en minderjarigen die van huis zijn weggelopen”. Toen de studentenflats Zilverberg en Kattenburg in 1970 werden opgeleverd, betekende dat het einde van de "Caledonia'. De studenten verhuisden, het schip vertrok voor zijn laatste reis naar de sloper in Hamburg.