Een beperkte inventarisatie van een wereld van geweld

Verbazing en afgrijzen over het groeiend aantal gewapende conflicten in Europa, Azië en Afrika verkeert langzamerhand in berusting.

Begrijpelijk, want het is ondoenlijk om overal de vrede te bewaren en te herstellen, en conflicten selecteren voor duurzame behandeling heeft ook zo zijn bezwaren, al was het omdat onmiddellijk de vraag rijst waarom deze wel en die een paar honderd kilometer verderop niet. Op grond van overwegingen van internationaal recht is die vraag relevant, en, sinds wel en wee nauwelijks meer voor regionale afgrenzing vatbaar zijn, zijn er ook praktische redenen om zich van ontsporingen waar ook ter wereld iets aan te trekken. Dat het toch niet gebeurt heeft eerder kwantitatieve dan kwalitatieve achtergronden. De inspanningen die zouden moeten worden geleverd en de offers die zouden moeten worden gebracht staan in geen verhouding tot zelfs de gecumuleerde ontreddering die het verslag van de dagelijkse ellende bij de aandachtige toeschouwer achterlaat.

De aanvankelijke verbazing was ingegeven door onbekendheid met de geschiedenis van de betrokken naties en landen en was een reactie op het sussende effect van het over het algemeen vreedzame karakter van de omwentelingen, de "fluwelen revoluties', in de Sovjet-Unie en in Oost-Europa. Nu de verbazing is overwonnen, wordt de aandacht veelal gericht op eeuwenoude etnische, religieuze en culturele verschillen die groepen aanzetten tot moorddadig gedrag tegen buren, kortom op de geschiedenis die door de lange vorstperiode van de Koude Oorlog zou zijn bevroren.

Ervan afgezien dat de modieuze analyse van het fenomeen collectieve gewelddadigheid weinig aandacht schenkt aan de vaak langdurige periodes waarin de betrokken entiteiten wel vreedzaam met elkaar om- en zelfs in elkaar opgingen, ziet zij ook de worteling in het voorliggende tijdperk over het hoofd. Dat was namelijk heel wat gewelddadiger dan terugblikkend wordt toegegeven. Bovendien kan tegenover de stelling dat de ideologieën geneigd waren het etnische element te onderdrukken evengoed worden aangevoerd dat etnisch en ander onderscheid werd aangemoedigd en uitgebuit. Bovendien zijn de middelen tot gewelddadigheid op een ongekend ruime schaal beschikbaar gekomen. Iedere tiener die dat wil, kan beschikken over een kalasjnikov, ieder groepje jongelui over een "technical', de bewapende "pick up' waarmee hele dorpen en stadswijken worden geterroriseerd.

Een gelimiteerde inventarisatie. Somalië is jarenlang volgestopt met wapens, eerst door de Sovjet-Unie, vervolgens door de Verenigde Staten, in beide periodes had dat niets van doen met een ideologische status quo in het land zelf, maar met het behoud van een steunpunt in een strategisch gevoelig gebied en met het verlangen van Somaliës heerser zich aangrenzend Ethiopië van het lijf te houden. Angola's burgeroorlog werd, eveneens jarenlang, gevoed door Cuba en Zuid-Afrika, beide geprotegeerd door respectievelijk Moskou en Washington. De kampen waren en zijn verdeeld langs zogenoemd ideologische maar in werkelijkheid etnische lijnen. Mozambique is lang het doelwit geweest van de duistere machinaties van ex-kolonisatoren die weer konden rekenen op de steun van kapitaalkrachtige extremisten achter de schermen. Stam- en clan-verschil speelde daarbij in de eerste geweldslijn een rol. En niet te vergeten Zuid-Soedan, een gebied waar de voorhoede van islamitisch-Arabisch en de achterhoede van christelijk-zwart Afrika al ver voor het Europese revolutiejaar 1989 met elkaar slaags waren.

Ieder niveau van ontwikkeling heeft zijn eigen niveau van gewelddadigheid. "Low intensity' is de Amerikaanse karakteristiek van het soort conflicten dat zich een etage lager afspeelt dan bijvoorbeeld de Golfoorlog. Maar "low intensity' in Afrika is weer iets anders dan in het Midden-Oosten of in Azië in het algemeen. Wat overigens weinig zegt over de duur van een conflict en evenmin over het uiteindelijke aantal slachtoffers. Iraks optreden tegen Koerden, shi'ieten, Iran, Koeweit was niet mogelijk geweest zonder Sovjet-leveranties en, soms, Amerikaanse inlichtingen. Irans afweer berustte in eerste instantie op zijn uit Amerika afkomstige arsenaal en vervolgens op de produkten van de internationale wapenmarkt, dikwijls "made in China'.

Een ogenschijnlijk pril conflict, de oorlog tussen clans in Tadzjikistan over het beheer van het communistische erfgoed, wordt aangewakkerd uit Afghanistan waar een veelkantige oorlog woedt die weer is afgeleid van de islamitische rebellie tegen de Sovjet-interventie van de jaren tachtig. De Russische soldaten die in Tadzjikistan nu een vreemde grens beschermen, worden geconfronteerd met bewapening, afkomstig uit Amerika of buitgemaakt op het Rode leger of uit andere bronnen. Het is geen geheim dat diverse islamitische landen, afnemers van veelal dezelfde wapenfabrikanten, spullen doorleveren aan elkaar in Afghanistan of elders bevechtende facties.

In ex-Joegoslavië speelt een eigenaardige intrige. Het hele gebied wordt getroffen door een wapenembargo van de Verenigde Naties. Desondanks schort het er aan alles behalve aan wapens. Voor Servië en de Servische facties in Bosnië en Kroatië is een verklaring dat deze putten uit de ruime voorraden van het vroegere federale leger. De logistiek van dat leger en van Joegoslaviës half-parate milities was gericht op het voeren van een guerrilla tegen een vijandelijke inval. Dat komt nu van pas tegen de eigen landgenoten. Maar waar de Kroaten en de moslims hun arsenalen aanvullen blijft onduidelijk. Het gerucht dat zij onder meer putten uit de voorraden van de vroegere Volksarmee is een gerucht gebleven. In ieder geval Turkije heeft voormalig Oostduits materieel overgenomen. Dat de Koerden daarvan het slachtoffer zijn, wordt in Bonn officieel ontkend.

Wie in de toekomst aan conflictbeheersing zou willen doen, kan zich vanzelfsprekend toeleggen op de etnische, culturele en andere wortels van uit de hand lopende tegenstellingen. Een brandwacht, zoals de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa (feitelijk in Eurazië) in oprichting heeft, kan daarbij goede diensten leveren. Maar een beleid gericht op het afdammen van wapenstromen zou evenzeer van pas komen. Het is triest dat staten als Tsjechië en Slowakije zich op sociaal-economische gronden weer op de wapenexport richten. Zolang Rusland, China, Noord-Korea, India, Israel, Brazilië en een reeks van islamitische en Westerse landen daarin blijven voorgaan, ontbreken evenwel de argumenten om Tsjechen en Slowaken tot andere gedachten te brengen.