"Als je niet braaf bent, komt de bezemwagen je ophalen'

SAINT LARY SOULAN, 22 JULI. Ze praten lijzig en ze kijken ernstig. Want dat hoort bij hun vak. Zij zijn de mannen van de bezemwagen. Hun after shave ruikt naar formaline.

In het VIP-dorp bij vertrek staan ze altijd apart. Ook altijd alleen. Geen renner die hen groet. Ze worden gemeden.

Terwijl ze er toch uitzien als bedaagde, oude heren die in het park petanque gaan spelen. Hun voertuig oogt al net zo onschuldig. Een doodgewone bestelbus met twaalf stoelen erin.

Maar vlak voor de start trekken ze als op commando hun zwartgelakte zonnebrillen. Daarmee bedekken ze hun ogen. En de chauffeur doet zijn glimmende witte handschoenen aan. Trawanten van Mackie Messer. Lijkbezorgers van de Tour.

Zij vertrekken als laatsten. Bijna als laatsten. Alleen die auto met het opschrift "Einde van de wedstrijd' komt nog achter hen. De eerste uren zullen ze geen renner meer zien. Zelfs niet in de verte als ze een col op kronkelen.

Voorlopig rijden ze file. Achter die grote kudde van volgauto's. Maar ze hebben het geduld van gieren. En het vooruitzicht is gunstig. Een lange bergetappe. Drie cols van de eerste, twee van de tweede categorie. Daar moeten zich toch renners op te pletter rijden? Een kwestie van tijd.

Maar het duurt lang voordat ze de eerste deinende ruggen in zicht krijgen. Het peloton heeft het na de rustdag rustig aan gedaan. Het rennersveld is lang bijeen gebleven. Pas op de Col de Peyresourde, na 175 kilometer, ruim zes uur rijden, tekent zich een staartgroep af.

En dan is het wachten wie er lost. Altijd lost er iemand. Dit keer is het Abelardo Rondon, nummer 26, een Colombiaan. Dat betekent dat ook de laatste volgauto's hem passeren. Zelfs de wagen van zijn eigen ploeg laat hem onbekommerd achter. Alsof hij al opgegeven is.

Maar hij geeft niet op. Nog steeds niet. Ook al voelt hij het gsteun van de bezemwagen in zijn nek. Ongeduldig trommelt de chauffeur op het geopende portierraam. Hij zwaait geërgerd met zijn armen. Die coureur houdt alles op.

Als hij toch de top nog weet te halen. Als hij in de afdaling maar kan aanhaken. Als zijn benen zich weer herstellen voor de laatste col. Maar hij kan niet meer. Toch nog onverwachts voor de mannen van de bezemwagen stapt hij af.

En wat doen we met verliezers? Wat doen we met deserteurs? Die scheuren we de epauletten van de schouders. Die vernederen we. Zo gebeurt het met Rondon, geheel conform de reglementen. De mannen van de bezemwagen rukken hardhandig zijn rugnummer van zijn shirt. Als een arrestant duwen ze hem de bestelauto in. Verwezen staart de Colombiaan voor zich uit.

Mannen van de bezemwagen hebben niet de tijd voor mededogen. Ze hebben wel wat anders te doen. In een wilde achtervolging moeten ze naar de nieuwe sluitpost op zoek. Er is altijd weer een nieuwe laatste.

Vijfendertig kilometer voor de finish strijken ze op Andrea Tafi neer. Tafi kijkt niet op of om. Hij rijdt alsof de dood hem op de hielen zit.

Wordt hij niet gek van die piepende remmen achter zijn rug? Van die loerende bezemwagen die steeds maar dichterbij kruipt? Ziet hij dan niet dat de mensen langs de kant al naar huis gaan? Hoort hij dan niet wat ze roepen? “Het is afgelopen. Kijk maar. De bezemwagen komt voorbij.”

Maar hij laat zich niet ontmoedigen. En hij haalt de streep nog op tijd. Al is het met een beschamend kleine versnelling, in een beschamend laag tempo. In de laatste kilometer haalt hij zelfs Jacky Durand, de Franse kampioen, nog in.

“Als je niet braaf bent, komt de bezemwagen je vanavond halen”, dreigt een moeder haar zoontje. Schrikbeeld van de 138 renners die vanmorgen van start zijn gegaan.