Algengroei blijft hoog ondanks afname fosfaatlozingen

Halverwege de jaren tachtig bereikte de algenproduktie in het Marsdiep tussen Texel en Den Helder piekwaarden. De oorzaak werd gezocht in het toen zeer hoge fosfaatgehalte van het Rijnwater. Water uit de Rijn stroomt langs de Nederlandse kust naar de Waddenzee. Het Marsdiepwater bestaat voor gemiddeld 20% uit Rijnwater.

Het fosfaatgehalte in het Marsdiepwater was in 1991 en 1992 ongeveer 40% lager dan midden jaren tachtig, maar dat heeft nog niet tot verminderde algengroei geleid. Dit is gemeten door G.C. Cadée en J. Hegeman van het Nedrlands Instituut voor Onderzoek der Zee (Netherlands Journal of Sea Research, 31 [1993] 147-152). Het aangenomen verband tussen algenbloei in het voorjaar en het fosfaatgehalte van het zeewater is dus niet zo duidelijk als werd aangenomen, concluderen de onderzoekers.

Het NIOZ ondermijnt hiermee de provocatieve stelling van visserijbioloog R. Boddeke van het Rijksinstituut voor Visserijonderzoek (RIVO) in IJmuiden die twee jaar geleden poneerde dat de waargenomen afname van garnalen, vissen en schelpdieren in onze kustzone het gevolg is van de verminderde fosfaatuitstoot van de Rijn. Bij Lobith bevat het Rijnwater 80% minder fosfaat dan tien jaar geleden. In het Marsdiep is het 40% minder, wat komt door de lozingen van kunstmestfabrieken in het Waterweggebied.

Boddeke waarschuwde voor verdere verlaging van het fosfaatgehalte. Een deel van de vervuiling van de Rijn is kunstmest voor de zeeflora. Daar leeft de zeefauna van en het wegvallen van deze bemesting is dus slecht voor de vissers.

De zeedieren eten geen fosfaat. Ze staan wat hoger in de voedselketen en leven gedeeltelijk van algen die dus een belangrijk intermediair vormen. Vandaar dat de NIOZ-onderzoekers hun reguliere algenproduktie-onderzoek gebruikten om zich in deze vreemde milieudiscussie te mengen.

In de jaren zestig en zeventig was de algengroei in het Marsdiep laag. Eind jaren zeventig leidde een snelle toename tot een verdubbeling die in de jaren tachtig stand hield. De metingen in 1991 en 1992 wezen uit dat die hoge produktie nog steeds bestaat. De 40% afname van de fosfaatconcentratie beperkt dus de algengroei niet. Alleen in de piekperioden april en mei lijkt het fosfaatgehalte de groei enigszins te beperken, maar het licht in de troebele Noordzee en het stikstofgehalte zijn volgens Cadée en Hegeman de belangrijkste factoren die de groei beperken. De invloed van stikstof werd duidelijk door de relatie tussen algengroei en regenval. Als het regent spoelt veel stikstof uit mest van land in water dat uiteindelijk in de Rijn terecht komt. In natte perioden stijgt het stikstofgehalte van het water en zien de NIOZ-biologen meer algengroei.

Cadée heeft dus argumenten tegen het idee van Boddeke om het fosfaatgehalte in de Rijn niet verder te verlagen. Maar hij bevordert tegelijkertijd een pact tussen boeren en vissers: minder mest (stikstof) uitrijden is misschien wel slecht voor de visstand. Hoewel Cadée de lage visstand wijt aan overbevissing en zachte winters.