Albanie; Vrijheid moeilijk te managen

Ismail Kadare, de schrijver van in twintig talen vertaalde romans, Albanië's enige kandidaat voor een Nobelprijs en ook zonder die prijs de trots van de natie, schokte in oktober 1990 de Albanezen door de tot democraat bekeerde stalinist Ramiz Alia zijn vertrouwen op te zeggen en de wijk te nemen naar Frankrijk. Nu, midden 1993, is Alia vertrokken en vergeten en heeft de democratie zich in Albanië gevestigd, maar zit Ismail Kadare nog steeds in Frankrijk.

In een recente brief klaagde hij in Albanië “niet langer te kunnen werken”. Albanië is een land “van ruzie en haat” geworden. “Vrijheid is niet makkelijk te managen.” Veel intellectuelen in Albanië, aldus Kadare, hebben geleden onder het stalinisme en zijn nu uit op wraak. Ze zijn onder de dictatuur vervolgd en vernederd en hebben nu opeens recht op alles. “Zelfs mijn vrienden zijn verdeeld: ze komen bij me langs en maken elkaar zwart.”

Het is een klacht die uit alle Oosteuropese landen wordt gehoord: de nieuwe vrijheden hebben de ruimte geschapen voor wat Václav Havel “onze slechte gewoonten” heeft genoemd: “Onverschilligheid voor algemene aangelegenheden, ijdelheid, eerzucht, egosme, persoonlijke ambitie en rivaliteit.” Overal in het Oosten fungeert dat onophoudelijke geruzie als een rem op hervormingen en brengt het regeringen in gevaar.

In Albanië gaan die ruzies zo diep dat president Sali Berisha onlangs een groot offensief heeft ingezet om een eind te maken aan het gekrakeel. Maandenlang is de instabiliteit opgevoerd - door de socialistische (ex-communistische) oppositie die het kabinet van premier Alexander Meksi weg wil hebben, door rechtse extremisten in Berisha's eigen Democratische Partij, door sociale conflicten en door het slepende conflict met Griekenland over de positie van de Griekse minderheid in het zuiden. In een reeks toespraken verdedigde Berisha zijn en Meksi's beleid: negentig procent van de landbouw is geprivatiseerd, het gemiddelde loon is gestegen, de inflatie is teruggedrongen van 240 procent vorig jaar naar nul, het begrotingstekort is teruggedrongen, de export is gestegen - in de eerste vier maanden van dit jaar werd al bijna evenveel geëxporteerd als in 1992 - en honderdduizend Albanezen hebben werk gevonden in de nieuwe privésector.

Er zijn meer successen. Albanië is dankzij de privatisering van de grond inmiddels in staat voor de helft aan zijn jaarlijkse behoefte aan graan te voldoen en dat aandeel zal stijgen als de regering haar belofte, de nieuwe boeren twee tot drie jaar belastingvrijheid te geven, nakomt. Het gemiddelde inkomen van de Albanese boer is in drie jaar gestegen van 40 dollar per jaar op de landbouwcoöperaties en 60 op de staatsboerderijen tot zeshonderd dollar. De industriële produktie is met acht procent gestegen, de landbouwproduktie met 21 procent. De dramatisch slechte toestand in de gezondheidszorg is in drie jaar sterk verbeterd. Het sterftecijfer van vrouwen is in die drie jaar zelfs gehalveerd, mede omdat vrouwen niet langer mogen werken in gevaarlijke beroepen. Albanië raakt zelfs wat het onder het socialisme noot was: gemotoriseerd. Vijf jaar geleden telde Albanië één kruispunt met verkeerslichten; deze maand werd voor het eerst in de geschiedenis een verkeersopstopping geconstateerd, toen op een kruispunt in Tirana een stoet bruiloftsauto's in de knoop raakte.

Dat neemt niet weg dat de problemen gigantisch blijven. Bijna veertig procent van de beroepsbevolking is werkloos: 400.000 werklozen die per maand 540 lek krijgen, genoeg voor drie blikjes bier. De privatisering in de industrie staat zo goed als stil. De structuur van de veelal zeer grote bedrijven is verouderd, het machinepark dateert vaak nog uit de jaren vijftig en niemand is bereid de kosten van de renovatie te dragen. Buitenlandse bedrijven vinden Albanië te arm, te onderontwikkeld, te bureaucratiisch. De leiding van de Italiaanse olijfoliefabriek Bartolli kwam zestien keer naar Tirana om over de overname van olijfboomgaarden te praten, de zeventiende keer kwamen haar Albanese gesprekspartners niet meer opdagen. Chevron investeert, maar alleen in de onderbrenging van technici in Durrës.

Albanië heeft alleen al 10 miljard dollar nodig om zijn industriële infrastructuur op te lappen en heeft dat geld niet. De chroomverwerkingsindustrie werkt maar op twintig pct van haar capaciteit. Het levensniveau is laag - en uitzicht op verbetering is er niet. Om de boeren te stimuleren worden voedselprijzen verhoogd, tot ongenoegen van de burgers, die nu bijvoorbeeld voor brood de wereldmarktprijs moeten gaan betalen, drie keer de huidige prijs.

Veel van de economische successen bestaan uit schijn: Albanië is volledig afhankelijk van de vierhonderd miljoen dollar die Albanese arbeiders vanuit Griekenland en Italië naar huis sturen en de internationale voedselhulp vanéén miljard dollar.

Het is dan ook de vraag of het politieke offensief van Berisha veel indruk zal maken op de ruziënde politici en op de verongelijkte burgers. Onlangs moest de politie voor het eerst in het democratische Albanië geweld gebruiken om een protestmanifestatie te beëindigen. Oude landeigenaren, die hun bezittingen onder het communisme waren kwijtgeraakt, waren in hongerstaking gegaan, gesteund door extreem-rechts, de Balli Kombëtar (de herrezen organisatie van het anti-communistische verzet in de oorlog) en de eveneens herrezen monarchistische partij Legaliteti. De hongerstakers hadden elk vijftien hectaren land teruggekregen en dat was wel zeven keer zoveel als de nieuwe boeren ontvinden, ze vonden het toch te weinig.

Ook de politiek is nog verre van gestabiliseerd. Integendeel: de socialisten, de sociaal-democraten en enkele leden van de Unie van Mensenrechten (een partij die vooral Grieken vertegenwoordigt), liepen vorige maand uit het parlement weg en begonnen een boycot van het parlement die ze nog altijd volhouden. De aanleiding: ze ontvinden de tekst van de ontwerp-grondwet een week later ontvangen dan was beloofd. Sindsdien is het politieke debat in Albanië een ordinaire scheldpartij geworden, waarbij de regerende Democraten de socialisten bestempelen als vijanden van Albanië en omgekeerd socialisten de Democraten uitmaken voor fascisten en revanchisten.