Afrika en de geschiedenis

Kwame Anthony Appiah is een inmiddels ook in Nederland bekende intellectueel. Na het uitvoerige interview met Martijn de Rijk in deze krant van 19 februari was hij in mei de gast van Anil Ramdas in diens TV-programma In mijn grootvaders huis. Dat mocht ook wel, Appiah is tenslotte de auteur van In my father's house. Die vader was een bekende advocaat en politicus in Ghana, zijn moeder de dochter van Sir Stafford Cripps, de vermaarde Labour-minister van financiën van na de oorlog.

Appiah is een man die helder denkt, voortreffelijk formuleert en verstandige dingen zegt. Zo wijst hij er terecht op dat het kolonialisme in Afrika alleen al vanwege het feit dat het zo kortstondig was, niet veel invloed kan hebben gehad. Van nationalisme en pan-afrikanistische mythen moet hij niets hebben. Hij wil het Afrikaanse heden en verleden op onbevangen wijze bezien.

Natuurlijk ergert ook hij zich aan de wijze waarop dit verleden traditioneel werd voorgesteld. De Europese historici en filosofen hadden immers een zeer geringe dunk van Afrika, dat zij als een werelddeel zonder geschiedenis en zonder beschaving beschouwden. Beroemd zijn de woorden die Hegel in 1830 aan dit onderwerp wijdde: “Op dit punt gekomen verlaten wij Afrika en zullen het niet opnieuw noemen want het is geen historisch deel van de wereld, (...) het is het onhistorische en onontwikkelde, dat nog geheel in de natuurlijke geest gevangen is en dat hier slechts als staande op de drempel van de wereldgeschiedenis gepresenteerd moest worden.”

Marx en Engels dachten er niet anders over of liever gezegd, die dachten helemaal niet over Afrika. Als zij zich al met de buiten-Europese wereld bezig hielden, dan ging het om Azië, het Midden-Oosten en een enkele keer, bijvoorbeeld naar aanleiding van Spaanse of Franse veroveringen en de zegenrijke gevolgen daarvan, over Noord-Afrika maar over het eigenlijke Afrika zwegen zij.

Zo is het nog lang gebleven. De marxistische historicus Endre Sik ut Hongarije schreef nog in 1966 in zijn Geschiedenis van Afrika: “Vóór zij in contact kwamen met de Europeanen leefden de meeste Afrikanen nog in een primitief en barbaars bestaan, velen hunner zelfs op het laagste niveau van barbaarsheid (...)”. Deze opvattingen vindt men overigens niet alleen bij marxistische maar ook bij conservatieve en liberale historici in de negentiende en twintigste eeuw. Afrika was een onhistorisch continent.

Nu gold deze minachting natuurlijk niet alleen Afrika maar de hele overzeese wereld want de meeste overzeese volken werden als achterlijk beschouwd. Maar er bestonden in dit opzicht toch aanzienlijke verschillen tussen Afrika en de andere continenten. Er is in Europa altijd een zekere bewondering blijven bestaan voor de oude Oosterse beschavingen, waar ooit het licht der beschaving was ontstoken. Afrika viel niet onder dat Oosten. Ook bij de "goede wilde' werd niet gedacht aan Afrika maar aan Amerika. De "bon sauvage' was geen Afrikaan maar een indiaan en de door de Franse romantische schrijver Chateaubriand beschreven, uiterst enthousiaste, discipel van Rousseau die het even kloeke als eigenaardige besluit had genomen zelf wilde te worden, vestigde zich onder de Irokezen en niet onder de Bantoes.

De enige uitzondering op dit algemene gebrek aan waardering voor Afrika was Egypte. De zogenaamde oude geschiedenis, de voorgeschiedenis van het moderne Europa, omvatte ook de geschiedenis van het oude Nabije Oosten, inclusief - en zelfs met veel nadruk inclusief - het oude Egypte. Zo kwamen de piramiden van Egypte ongemerkt in Europa te liggen en werd het wetboek van Hamurabi zoiets als het eerste ontwerp van de Code Napoléon. Het kost dan ook nog steeds enige moeite zich te realiseren dat de piramiden niet in Europa liggen en zelfs niet in het Nabije Oosten, maar in Afrika. Daar helpt echter geen moedertjelief aan. De historici van Afrika laten zich deze hoofdprijs tegenwoordig dan ook niet meer ontgaan en onderstrepen met kracht het Afrikaanse karakter van de Egyptische geschiedenis. Egypte, zo leren we thans, was een zwarte beschaving. In een nog verder gaande visie was trouwens ook Athene zwart.

Deze nieuwe zelfverzekerheid hangt niet alleen samen met politieke en ideologische factoren, maar ook met het feit dat de Afrikaanse geschiedenis in zeer korte tijd tot bloei is gekomen. Na de Tweede Wereldoorlog hebben Europese en Amerikaanse historici en later ook de Afrikanen zelf zich op die geschiedenis gestort, en met groot succes. In zeer korte tijd is de Afrikaanse geschiedenis tot bloei gekomen. Talloze publikaties, waaronder grote standaardwerken, leggen getuigenis af van deze prestaties. Veel daarvan komt tegenwoordig van de Afrikanen zelf.

Zoals elke emancipatiebeweging vertoont ook de Afrikaanse geschiedschrijving wel eens de sporen van een al te vurig zelotisme en wordt er soms nodeloos en vruchteloos gestreden tegen de windmolens van een vermeend onbegrip of gebrek aan belangstelling. Ook ontkomen sommigen niet geheel aan een belerende en moraliserende toon en brengen zij graag boodschappen als: “toen wij nog in berevellen liepen, bakten de Afrikanen al zulke prachtige potten”. Dat geeft niets. Het behoort bij een emancipatiebeweging en het doet niets af aan de prestaties ervan. De Afrikaanse geschiedenis is dus een success-story, een verhaal van grote vooruitgang en intellectuele prestaties en ongetwijfeld zal nog verdere vooruitgang worden geboekt.

Daarmee zijn de Afrikanen echter nog niet van hun historische problemen af, want veel van de concepten waarmee zij werken komen uit Europa en zijn op het Afrikaanse verleden maar moeilijk toepasbaar. Het grootste probleem is wel dat van de nationale geschiedenis, het traditionele kader immers van de Europese geschiedenis. Ook in het geval van Afrika stimuleren politici natuurlijk de nationale geschiedenis, vooral als bijdrage tot nation building. Maar wie het Afrikaanse verleden reconstrueert in termen van de huidige statenstructuur, die reconstrueert in feite niets, want die structuur is een produkt van het zeer recente koloniale verleden. Wie bij deze geschiedenis daarentegen uitgaat van een universele Afrikaanse cultuur wordt echter al evenzeer het slachtoffer van een mythe en een die misschien nog gevaarlijker is dan de nationalistische, want de pan-Afrikaanse ideologie is een vorm van racisme, zoals Appiah laat zien. Dat is een moedige conclusie, maar ook een die de Afrikaanse historici achterlaat met een groot probleem. Hun geschiedenis is ontdekt. Maar hoe haar te schrijven?

De volgende column van H.L. Wesseling verschijnt op 19 augustus.