Strijdplan

Belastingparadijzen hebben de wind tegen. Grootmachten als de Verenigde Staten, Duitsland en recentelijk ook Japan troffen eenzijdige en soms overdreven krachtige maatregelen om het weglekken van belastinggeld naar "taxhavens' tegen te gaan.

Nederland hield zich steeds koest. Ons land heeft zelf immers een reputatie als belastingparadijs. Dat is niet omdat we, zoals België, met nieuwe wetgeving belastingontwijkers aantrokken. Onze open economie kende vanouds al een belastingwetgeving die geld- en goederenstromen zo min mogelijk in de weg legt. Bovendien sloot Nederland op ongekende schaal belastingverdragen met handelspartners over de hele wereld.

Vooral ondernemingen die met de Verenigde Staten handelen, hebben baat bij een samenloop van een uitzonderlijk gunstig belastingverdrag, onze soepele belastingregels en een betrouwbare belastingdienst. Dat profijt is weggelegd voor echte bedrijfsvestigingen maar net zo goed voor papieren ondernemingen. Met het uitbuiten van deze mogelijkheden verdienen enkele duizenden belastingadviseurs hun boterham. Die is goudbelegd, maar de opdrachtgevers krijgen waar voor hun geld.

In het laatste kwartaalverslag van de Nederlandsche Bank vond Flip de Kam cijfermateriaal over de activiteiten van in Nederland gevestigde brievenbusmaatschappijen. Vorige week rekende hij in zijn economierubriek in deze krant uit hoe buitenlandse belastingdiensten zich miljarden guldens door de vingers zien glippen door de creativiteit van Nederlandse belastingadviseurs. Het internationale bedrijfsleven levert, in ruil voor die besparing in eigen land, een bijdrage aan onze economie: zeker 300 miljoen gulden wordt betaald aan de top-adviseurs en 500 miljoen aan de fiscus.

Die cijfers zijn nooit eerder boven water gekomen. Dat is niet zo vreemd want iedereen had belang bij stilzwijgen over de nationale samenzwering. De bloeiende sector van de financiële dienstverlening ontwikkelde zich tot een steunpilaar van het Amsterdamse streven uit te groeien tot een financieel centrum van internationale allure. Dat streven wordt niet alleen gefrustreerd door de onmacht een internationaal instituut van allure naar Amsterdam te halen, maar ook door de kentering in de stemming ten opzichte van de fiscale kapersactiviteiten. De fractie-fiscalist van het CDA in de Tweede Kamer, Vreugdenhil, verdiende aanvankelijk zijn brood met deze werkzaamheden maar vindt nu dat Nederland er afstand van moet nemen.

De Algemene Rekenkamer kijkt kritisch naar de afspraken die de fiscus met brievenbusmaatschappijen maakt en de Nederlandsche Bank durft het voor het eerst aan om de cijfers over hun activiteiten naar buiten te brengen. Deze kritische stemming wordt aangejaagd door de Verenigde Staten. Die verbinden aan een - zij het beperkte - voortzetting van de fiscaal gunstige uitzonderingspositie voor Nederland, de voorwaarde dat we meedoen aan de strijd tegen belastingparadijzen. Iedereen die verantwoordelijkheid draagt voor ons fiscale stelsel, wil aan die eis graag tegemoet komen als maar alsjeblieft ons eigen bonafide bedrijfsleven (Shell en zo) als vanouds van de gecombineerde voordelen van ons eigenzinnige belastingstelsel en een ruimhartig belastingverdrag mag blijven profiteren. Dat was de inzet van de onderhandelingen met de Verenigde Staten, dat is ook de inzet van het strijdplan dat Van Amelsvoort tegen de belastingparadijzen heeft gelanceerd.

Op beide punten veronachtzaamt hij de belangen van heel wat grote bonafide bedrijven, zo betogen internationaal werkende belastingadviseurs. Zij beschuldigen Van Amelsvoort ervan Nederland schade te berokkenen door met harde maatregelen buitenlandse investeerders weg te jagen.

De vertegenwoordigers van deze bedrijfstak in nood, zullen er een harde dobber aan hebben dat duidelijk te maken. Hun activiteiten hebben zo lang in de stilte van het schemerduister plaatsgevonden dat de beroepsgroep weinig politiek en maatschappelijk gezag geniet. Bij hun felle kritiek moet men bedenken dat Van Amelsvoort met zijn plan vooral Antilliaanse, Belgische en Ierse maatschappijen treft die speciaal voor belastingvlucht zijn opgericht; hij laat de Nederlandse tegenpolen goeddeels ongemoeid.

Wat Van Amelsvoort wil, wordt stukje bij beetje duidelijk. Zijn ingrijpende herziening van het belastingverdrag met de Verenigde Staten moet al in november parlementair zijn afgekaart. Tegen die tijd gaat de bewindsman kijken naar de reacties op de nu gepresenteerde aanpak van belastingparadijzen. Die reacties wil hij ontvangen voordat duidelijk is wat hij precies wil ondernemen om Nederland fiscaal aantrekkelijker te maken voor buitenlandse investeerders. Daarover is hij nog aan het denken.

Los daarvan komt Van Amelsvoort met plannen om directeuren-grootaandeelhouders aan te pakken die slimmigheidjes uithalen met hun salarisuitbetaling (de RUS-constructie) of die door tijdelijke emigratie naar de Antillen belastingheffing over hun aandelenbezit ontlopen. Waar de voormalige staatssecretaris Koning de herziening van de inkomstenbelasting op zijn naam schreef, laat Van Amelsvoort zich gelden als hervormer van winstbelastingen. Het gebeurt allemaal wat weinig gestructureerd, maar uiteindelijk zullen er op een zorgvuldige manier heel wat mazen gedicht zijn.