Sigaren maken in plaats van stofzuigen

Blijmoedig weerstaan twee Nederlandse sigarenfabriekjes de anti-rook wind, die over de wereld waait.

Sigarenfabriek Havana te Culemborg blijft sigaren met de hand draaien, zoals ze dat de hele turbulente twintigste eeuw al doet. Tabaksfabriek De Olifant te Kampen maakt ook sigaren op ambachtelijke wijze, maar doet dat machinaal. In Kampen kan men op een moderne manier oud zijn. Op het logo staat "sedert 1828' vermeld, maar dat is een geleende datum. De Olifant verrees acht jaar geleden op de resten van een puffend pijp- en pruimtabakfabriekje, dat zover heen was dat de werknemers reeds begonnen waren hun achterstallig loon in natura mee naar huis te nemen. De redding kwam met de overname door de voormalige eigenaar van sigarenfabriek Oud Kampen, die dat bedrijf had verkocht, omdat hij zich niet langer kon verenigen met de grootschaligheid van Oud Kampen. Deze sigarenmaker in hart en nieren wilde nog één keer laten zien hoe sigaren van topkwaliteit behoren te zijn. De gevestigde winkeliers begonnen echter ongelovig te lachen, toen ze de "Fantjes' en "Knakjes' van De Olifant zagen. De sigaartjes waren van een superieure kwaliteit en verpakt in een lief cederhouten doosje, maar ook ontstellend duur: één gulden vijftig per stuk. “Het was zeker gewaagd om in die tijd met zo'n prijzige sigaar te komen”, geeft Thomas Klaphake, directeur van het autonome bedrijf De Olifant, toe. “In het begin hebben we het ook wel moeilijk gehad. We hebben het gered doordat de trend, overeenkomstig onze verwachtingen, minder maar bewuster roken werd.”

Diezelfde hang naar ambachtelijk vervaardigde produkten kwam ook voor de familie Van der Donk van Havana precies op tijd. “In de jaren zeventig en tachtig hebben we de broekriem letterlijk aan moeten halen”, zegt Richard van der Donk eenvoudig. Die praktische bezuinigingsmaatregel was uitvoerbaar, omdat Havana een familiebedrijf pur sang is: vader produceert, moeder doet de bestellingen en zoon Richard, de derde generatie, heeft de feitelijke leiding en springt in waar nodig. Eensgezind bepalen ze het te volgen beleid. De familie heeft één werknemer in dienst, die met zijn tweeëntwintig jaren de jongste sigarenmaker van Nederland is. Met de nu beschikbare mankracht, ook een paar goede vrienden van vader Van der Donk komen dagelijks helpen, zit het bedrijf qua produktie aan zijn plafond: ruim een kwart miljoen sigaren per jaar. “De winkels roepen wel om meer, maar dat halen we eenvoudigweg niet”, verzucht Richard van der Donk. “Eigenlijk hebben we dus een luxe probleem.”

Dat is aardig gezegd van deze jonge ondernemer, die zijn uiterste best doet om iedere concessie aan de moderne tijd buiten de deur te houden; om de nalatenschap van zijn opa en diens broer, die in 1919 in de schuur achter het woonhuis de sigarenmakerij begonnen, onaangetast te laten. “De bosjes, de eerste ruwe vorm van de sigaar, maken we sinds 1950 wel machinaal hoor”, zegt Richard van der Donk eerlijk. Hij wijst daarbij op twee gele machines. Die vallen geenszins op in dit broze museum, waar alleen het koffiezetapparaat automatisch is.

Zo verstild als de omgeving is waar de heer Van der Donk en de zijnen onverstoorbaar hun tachtig sigaren per uur draaien, zo energiek oogt de produktiehal van De Olifant. In de grote, lichte ruimte op de eerste verdieping bedienen jonge vrouwen in kleurige kledij de machines, die acht- tot negenhonderd sigaren in het uur produceren. Vorig jaar kwam de produktie uit op 1,4 miljoen sigaren. Uit de radio schallen de ochtendlijke arbeidsvitaminen. “Het is een jonge, enthousiaste ploeg”, zegt Cees Kuypers, een gepensioneerde kolonel die zich op vrijwillige basis in het bedrijf verdienstelijk maakt. “Mijn verleden komt wel eens van pas”, voegt hij er gekscherend aan toe. “Zo'n jonge ploeg is net een vulkaan. Als er een uitbarsting dreigt, spreek ik even achter uit de keel, zoals ik dat ook in het leger gewend was.”

Beide sigarenfabrieken overleven dankzij zowel de jonge als de onbezoldigde hulp. “Alleen op deze manier kunnen we met de grote jongens, die hun produktie meer en meer uitbesteden aan de ontwikkelingslanden, concurreren”, verklaart men zowel te Culemborg als te Kampen. Volgens een gigant in de branche bestaan de kleinschalige fabrieken bij de gratie van hun welwillendheid. “Als we zouden willen, zouden we ze kunnen vermorzelen.”

Gelukkig hebben ze er het hart niet toe. Want wie moet dan vertellen dat zijn produkten met smaak door politieke kopstukken als Tito en Soeharto werden gerookt, zoals de heer Van der Donk nu met trots doet? Dat de VVD voor zijn voormalig leider Wiegel uitsluitend de Culemborgse Havana's placht te kopen? “En voor Churchill, toen die na de Tweede Wereldoorlog ons land bezocht, hebben we een speciale, extra zware sigaar gemaakt”, besluit vader Van der Donk, die voor dit klapstuk speciaal zijn onafscheidelijke sigaar uit de mond heeft genomen.

De weg van de Van der Donk-sigaren naar politiek Den Haag loopt via sigarenhandel De Graaf, die recht tegenover het Binnenhof is gevestigd. Tot 1974 had De Graaf het exclusieve verkooprecht op het Culemborgse handwerk. “Dat monopolie was in de loop der jaren zo gegroeid”, legt Richard van der Donk uit, “maar we moesten toch ook aan onze toekomst denken. Daarom hebben we het toentertijd losgelaten.” In diezelfde periode werd de naam "Havana' naar de achtergrond gedrongen en kreeg de naam "Van der Donk' meer nadruk. “Als Davidoff zijn achternaam kan gebruiken, waarom wij dan niet?”

Verder gaat de flirt met de harde commercie echter niet. Zowel bij Havana als bij De Olifant blijven ze sigaren zonder opsmuk maken. Ongepoederd (in vaktermen ongematteerd genoemd), niet te glad en niet te ruw, zonder een zieke buik (dan zit er niets in), maar ook weer niet te stevig gestopt. Bovendien worden de eindprodukten nauwkeurig en met de hand op kleur gesorteerd. Bij De Olifant is die taak in handen gegeven van Roelof Vinke, een telg uit een oud sigarengeslacht. In de harmonieuze stilte van de sorteerkamer leert Vinke zijn vijftig jaar jongere collega de kleurnuances onderscheiden. “Handmatig draaien doe ik niet meer, dat heb ik genoeg gedaan in mijn leven”, zegt Vinke. “Bovendien zijn deze machines wel zo goed. Ze schudden de sigaar even tijdens het draaien.” Vinke heeft ook zitting in het rookpanel van De Olifant. “Ik had zeventien jaar niet gerookt, tot ze me hiervoor uitnodigden.” Hij gniffelt. “Ik heb het prima naar mijn zin. Thuis zou ik moeten stofzuigen.”