OESO bezorgd over werkloosheid

AMSTERDAM, 21 JULI. Nederlandse werknemers blijven relatief kort bij hun werkgever in dienst endat kan nadelige gevolgen hebben voor de scholingsgraad van het werknemersbestand. Dat schrijft de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in het gisteren gepubliceerde rapport Employement Outlook.

De OESO is somber over de stijgende werkloosheid in de 24 lidstaten. Volgens berekeningen van de OESO zullen daar dit jaar 35,1 miljoen werknemers zonder baan zitten, 8,5 procent van de totale beroepsbevolking. In 1994 zou de werkloosheid kunnen oplopen tot 35,7 miljoen (8,6 procent). Europa staat er het slechtste voor: het werkloosheidspercentage loopt naar verwachting op van 11,6 in 1993 tot 12,1 in 1994. In de VS, waar de recessie ten einde lijkt te lopen, zal de werkloosheid volgens de OESO dalen van 7 procent naar 6,5 procent in 1994.

De stijging van de werkloosheid wijt de OESO voor een deel aan de economische recessie in een aantal lidstaten. Een andere factor is dat (langdurig) werklozen steeds minder aansluiting vinden bij de eisen van ondernemers en op een bepaald moment nergens meer aan bod komen.

Uit onderzoek van de OESO naar de duur van betrekkingen blijkt dat Nederland een hoog percentage baanwisselaars kent, evenals de Verenigde Staten, Canada en Australië. Ongeveer een kwart van de Nederlandse beroepsbevolking werkt minder dan een jaar bij zijn huidige baas; eveneens een kwart heeft een dienstverband van meer dan tien jaar. Gemiddeld zijn werknemers in Nederland zeven jaar bij hun huidige baas in dienst.

In het verleden beschouwde de OESO een hoge arbeidsmobiliteit als zeer positief, omdat die kan bijdragen aan een lagere werkloosheid. De OESO-onderzoekers hebben nog steeds veel kritiek op starre arbeidsmarktstructuren, vooral in Zuid-Europa, maar zij beschrijven nu ook de keerzijde van snelle baanwisselingen.

Als een van de belangrijkste aspecten noemt de OESO de aantasting van het opleidingspeil van de beroepsbevolking, waardoor de concurrentiepositie van de rijke landen verslechtert. Veel vaardigheden worden via het werk overgedragen en een te hoog niveau van baanwisselingen bevordert die ontwikkeling niet, aldus het rapport. In landen als Japan en Duitsland, waar de mobiliteit veel lager ligt, is meer aandacht voor opleiding op het werk, aldus de OESO. Deze opvatting strookt met die van minister Andriessen, die al langer pleit voor scholing als middel om de concurrentie met lage-lonenlanden aan te gaan.