De strijd tegen de georganiseerde misdaad

Vanaf het midden van de jaren tachtig wordt op het gevaar van de georganiseerde misdaad gewezen. Onverminderd klinkt de waarschuwing dat met het witwassen van drugswinsten de bovenwereld wordt gecorrumpeerd. Onder de grootste geheimhouding proberen speciale rechercheteams het tij van de "hooggeorganiseerde criminaliteit' te keren. Deel zes in een serie.

Veertig procent van de georganiseerde criminele groeperingen in Nederland is volgens J. Wilzing, hoofd van de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI), geheel of gedeeltelijk samengesteld uit personen van buitenlandse afkomst.

Het afgelopen jaar werd een groep uitgeprocedeerde Chinese asielzoekers gearresteerd. Zij beroofden - vaak met grof geweld en op grote schaal - hier te lande wonende volksgenoten.

Colombiaanse drugskartels verbazen de politie regelmatig met de inventiviteit waarmee zij cocane naar Nederland smokkelen. De contrabande wordt gevonden in containers die onder schepen waren gelast, of tussen gedroogde vis of bananen. Vanuit Nederland wordt de Europese markt bevoorraad.

Turkse en Koerdische heronehandelaren blijken Nederland eveneens als doorvoerland te gebruiken. Bij het vervoer van hasj en marihuana naar Nederland zijn Marokkaanse bendes betrokken. Voorts kwam nog een aantal Ghanezen in het nieuws. Zij runden vanuit de Bijlmer een wereldomspannend netwerk van - in een enkel geval zelfs bejaarde - drugskoeriers. Bij de CRI kwamen ten slotte in 1992 ongeveer 1.800 meldingen binnen van pogingen tot fraude vanuit Nigeria.

Volgens Wilzing - wiens noodkreten te vinden zijn in "Criminele Inlichtingen; de rol van de criminele inlichtingendiensten bij de aanpak van de georganiseerde misdaad' (1993) - wordt Nederland door internationaal opererende criminele organisaties beschouwd als een populair vestigingsgebied.

Met name groepen met een gemengd Nederlands-buitenlandse samenstelling hebben een hoge organisatiegraad. De CRI schat dat in Nederland momenteel circa honderd "hooggeorganiseerde' criminele groeperingen actief zijn.

De CRI spreekt van "hooggeorganiseerd' wanneer de activiteiten van criminele ondernemingen een scala aan criminele én legale activiteiten omvatten. Van het uitbaten van gokautomaten tot handel in pornografie en (hard)drugs toe. Hooggeorganiseerde misdaadondernemingen werken samen met andere criminele organisaties, en met specialisten op juridisch en fiscaal gebied. Smeergeld wordt kwistig rondgestrooid. Onlangs is een advocaat in Amsterdam nog door de rechter op de vingers getikt omdat hij zijn zakelijke en particuliere banden met criminelen niet overtuigend gescheiden had. Anders dan in reguliere ondernemingen wordt gehoorzaamheid met straffe hand afgedwongen en wordt geweld tegen (criminele) concurrenten niet uit de weg gegaan.

Om de herkomst van misdaadgeld te verhullen worden dekmantelfirma's gebruikt. Volgens recente berichten worden zelfs galerieën als façade gebruikt en worden met werken van schilders als Toorop en Van Gogh drugsgelden gewit. Keer op keer wijst de politie erop dat de diverse vormen van georganiseerde misdaad (EG-fraudes, witwassen, dekmantelfirma's) steeds ondoorzichtiger zijn geworden.

De XTC-bende

Hoe ingewikkeld de werkwijze van hooggeorganiseerde netwerken is geworden, valt goed te zien aan de ontwikkeling van de betrekkelijk overzichtelijke XTC-onderneming die in 1991 door het Interregionaal Rechercheteam Noord-Holland/Utrecht (IRT) werd opgerold.

De organisatie van de XTC-onderneming, die vooral uit Nederlanders bestond, bestelde via een legaal farmaceutisch bedrijf (Ludeco) XTC-grondstof in België. Ludeco betrok deze stof weer uit Italië. Via een bedrijf in Gibraltar werd de XTC-grondstof fictief gefactureerd naar Kenia en Nigeria. In een tot heden onvindbaar gebleken - waarschijnlijk mobiel - laboratorium werd het eindprodukt bereid.

De grootste afnemers van de drugs bevonden zich in Groot-Brittannië. De ponden die naar Nederland terugvloeiden werden in Rotterdam bij een reguliere bank en in Antwerpen bij een geldwisselkantoor gewisseld. Vanuit België werd het geld door een Belgische financieel deskundige, onder meer met medewerking van een Marokkaanse bank, naar bv's in Ierland en Gibraltar gesluisd. Via die ondernemingen werd vervolgens genvesteerd in vakantie-projecten in Indonesië en Griekenland. Er werd ook genvesteerd in roerende goederen (treinstellen uit de voormalige DDR) en onroerend goed (huizen en loodsen in de Randstad). Intussen zocht de organisatie in Nigeria naar andere producenten van grondstoffen voor de drugs. De handelsstromen van deze organisatie bestreken welgeteld tien landen.

De winsten

Winstmarges in de drugshandel worden gigantisch genoemd. Accountants van de CRI schatten de omzet van voormelde XTC-bende - die slechts negen maanden actief was - op ongeveer 300 miljoen gulden. Volgens een overheidsrapport uit 1992 werd de “totale omzet in drugs, wapens en het uitbaten van illegale gokgelegenheden in Nederland” op tien miljard gulden per jaar geschat. De schatting is van het organisatieadviesbureau McKinsey. Dit bureau verwacht een verdere stijging van deze omzet “ten gevolge van de toenemende internationalisering van het economische verkeer” en een verdere innesteling van de onder- in de bovenwereld.

De vrees bestaat dat de georganiseerde misdaad bij een ongestoorde uitbreiding er uiteindelijk in zal slagen om - zoals ook in de Verenigde Staten en Italië is gebeurd - vat te krijgen op bepaalde economische sectoren. Deze vrees werd vorig jaar ook door de Rotterdamse politiecommissaris C. Ottevanger geuit toen hij waarschuwde voor infiltratie van de georganiseerde misdaad in de horeca.

Als aanwijzing dat de georganiseerde misdaad in ons land eerder toe- dan afneemt wijst de CRI op de stijging van het aantal geldwisselkantoren. Meer georganiseerde misdaad betekent grotere inkomsten uit de criminaliteit en dus een grotere behoefte aan het "witwassen' van zwart geld. Geldwisselen wordt een voorfase van het witwassen genoemd, dus meer geldwisselkantoren zouden volgens de CRI wijzen op meer georganiseerde misdaad.

De liquidaties

Ook de toename van het aantal liquidaties binnen het criminele milieu wordt door de CRI gezien als teken dat de georganiseerde misdaad een groei doormaakt. Hoewel in de Turkse en Koerdische drugswereld het afgelopen jaar een groot aantal bloedige afrekeningen plaatshad, treden tegenwoordig vooral Joegoslavische criminelen op de voorgrond.

In het criminele milieu gaat het verhaal dat de Alkmaarse autodealer die op de snelweg in zijn auto werd doodgeschoten een zakelijk meningsverschil had met een beruchte Joegoslavische crimineel. De garagehouder zou zo onverstandig zijn geweest zijn investering in een drugsdeal van enige miljoenen guldens (uit de onroerend goed handel) terug te eisen. Later werden zijn beide beulen verkoold naast een uitgebrande auto gevonden. De laatste geruchtmakende liquidatie is die van de Belgische hoofdverdachte van de XTC-bende. Ook hij werd onlangs in zijn auto op de snelweg doodgeschoten.

De bestrijding

Bij de bestrijding van de hooggeorganiseerde misdaad blijkt de politie zichzelf regelmatig voor de voeten te lopen. Nadat de Britse politie door een Nederlands politieteam was gewaarschuwd werd eind vorig jaar door de Britse douane het schip de Brittania Gazelle geënterd. Dit schip deed zich voor als een bevoorradingsschip voor boorplatforms, maar vervoerde drugs. Er was circa 15 ton cannabis aan boord. Het was voor het eerst dat de Britse douane gebruikmaakte van nieuwe internationale wetgeving die haar toestemming geeft aan boord te gaan van in Groot-Brittannië geregistreerde schepen, ook als die zich in internationale wateren bevinden. In het criminele milieu heette het dat het transport door een agent van de Amerikaanse drugsopsporingsorganisatie DEA in Nederland was georganiseerd. Niet alle betrokken Nederlandse politieteams waren dan ook gelukkig met de actie. Binnen politiekringen werd gemopperd dat het opbrengen van de Brittania Gazelle door de Britse douane een voorbeeld was van slechte samenwerking tussen diverse rechercheteams.

Eind jaren tachtig is bij de bestrijding van hooggeorganiseerde criminele groepen gekozen voor zogeheten interregionale rechercheteams. Momenteel opereren enige tientallen regionale en interregionale rechercheteams. Enkele daarvan werken onder strikte geheimhouding, de zogeheten embargoteams, waaronder één dat probeert de herkomst te achterhalen van een grote hoeveelheid Schotse ponden in de hoofdstad en één dat zich bezighoudt met een onderzoek naar grootschalige hasjhandel, het zogeheten snake-team.

Embargo- en interregionale rechercheteams staan bloot aan niet mis te verstane kritiek. Het hoofd van de CRI stelt vast dat sommige interregionale rechercheteams hun onderzoek volledig afschermen. In een aantal gevallen konden - min of meer toevallig - embargoteams belangrijke gegevens uitwisselen. Het kwam echter ook voor dat een onderzoek van een (interregionaal) rechercheteam door ander politieonderzoek naar dezelfde dadergroep werd doorkruist en gefrustreerd.

Ook het IRT dat onderzoek verrichtte naar de Bruinsma-organisatie deed dit onder de grootste geheimhouding. Een deel van het IRT-werk richtte zich op het opsporen van "platte' agenten die informatie lekten naar Bruinsma. Wegens het wantrouwen werd geen gebruik gemaakt van bestaand materiaal van de Criminele Inlichtingendienst (CID). Een Amsterdamse CID-rechercheur bevestigt desgevraagd dat het IRT dubbel werk verrichtte. “Ze kwamen een keer bij ons met de mededeling dat ze de tweede man achter Bruinsma in de peiling hadden. Toen konden we ze laten zien dat wij dat al twee jaar wisten.” (Bruinsma werd zomer 1991 vermoord. red.)

Het hoofd van de CRI waarschuwt dat nu “het aantal rechercheteams dat onder embargo werkt steeds toeneemt, de problemen steeds manifester worden.” Hij bepleit minder embargoteams en meer onderling vertrouwen. Een advies waar de CID-rechercheur van harte mee instemt. De Amsterdamse advocaat-generaal R.J. Manschot bevestigt dat er knelpunten zijn. Maar hij denkt dat het instellen van een centraal meldpunt, waar men te kennen kan geven met welk onderzoek men bezig is, daarin verbetering kan brengen.

Petrus van Duyne, onderzoeker bij het ministerie van justitie en auteur van diverse publikaties over georganiseerde misdaad, vraagt zich af of de politie niet meer zou moeten kijken naar de structuur van de markt. Hij stelt vast dat hoe groot de drugsvangsten ook zijn, de prijzen niet veranderen. Dat kan betekenen dat er een stuwmeer aan verdovende middelen is. Maar waarschijnlijker acht hij het dat wanneer een netwerk van grote handelaren wordt gepakt, middelgrote en kleine organisaties onmiddellijk in het gat in de markt kunnen springen. “Aan de vraagkant onstaat nauwelijks enige rimpeling wanneer de politie een grote vangst doet. Dat betekent dat de structuur van de markt aan de aanbodzijde steeds moderner wordt.”