De "patatgeneratie' op de fiets kan niet meer afzien

ANDORRA, 21 JULI. Zoals snooker de traditionele spelsoorten van het biljarten terugdringt, zo heeft de mountainbike de aanval geopend op de racefiets.

Het spektakel neemt in deze snelle tijd een steeds belangrijkere plaats in. Hotsen en knotsen op een tegen alles bestand duur rijwiel met dikke banden is méér in trek dan het slopende hardrijden op een karretje van tien kilo. Met name in welvarende landen als Frankrijk, België en Nederland, waar de wielerbonden het aantal licenties van profs, maar ook van amateurs en junioren zien teruglopen. Het is een van de ontwikkelingen die zeker van invloed is op de huidige malaise binnen de nationale wielersport.

Wie de Tour de France volgt, kan vaststellen hoe dramatisch slecht de zaken er voor staan. Niet één Nederlandse overwinning, niet één renner in de toptien. De ene teleurstelling na de andere. Het lijkt wel of er een faillissement op komst is. Ging het na de Tweede Wereldoorlog ooit slechter? Zeker, er waren veel méér rampperioden. Maar dat zich een dergelijke afgang in 1993 nog voordoet mag toch opmerkelijk heten. Sinds de jaren vijftig, toen het wielervolk al in hogere sferen verkeerde bij een etappewinst van Wim van Est, Wout Wagtmans of Jan Nolten, is er immers sprake van een flink stijgende prestatiecurve. Een ritzege in de Tour was niet langer zoiets als een mirakel. Jan Janssen won de Franse Ronde in 1968 zelfs en een decennium later was Peter Post druk bezig de basis te verbreden van zijn prachtige Raleigh-ploeg, die garant stond voor een tijdperk van enorme bloei.

Gerrie Knetemann werd als renner van Post wereldkampioen (1978), zijn maatje Jan Raas imiteerde hem twaalf maanden later, Joop Zoetemelk (óók Post) was eindwinnaar van de Tour (1980). Het kon niet op. Ook in de klassiekers en de Tourritten stonden ze hun mannetje. De "trein' van Post sloeg genadeloos en veelvuldig toe. De latere breuk tussen de Amstelvener en Raas verkleinde het aantal voltreffers, maar “oranje” bleef desondanks goed scoren. Waarbij Erik Breukink zich zelfs aandiende als een potentiële Tourwinnaar. In hoog tempo is Nederland fietsland vervolgens achterop geraakt. En anno 1993 lukt er dus niets meer, ook niet in de klassiekers. Steven Rooks was de eerste Tour-uitvaller, Breukink werd weggereden, Eddy Bouwmans, een andere allrounder, komt in het spel niet voor. En de eens zo geprezen vrijbuiters van ploegleider Raas blijven zwaar in gebreke.

Wat de laatsten betreft - Raas heeft ook het vermoeden al geuit - mag men wellicht spreken van toegenomen gemakzucht. Renners als Jelle Nijdam, de Belg Eric Vanderaerden, Frans Maassen, ze zijn zeker van een goed salaris, ook al rijden ze slecht. Het is trouwens bedenkelijk dat sommigen van die arrivés nog trainen als in de tijd van de koperen drinkkruikjes, intussen de door hun begeleiders verzamelde, meest uitgekiende oefenschema's zo maar terzijde schuivend. Met name in het huidige wielerland nummer één Spanje, waar men veel bewondering toont voor de medische wielerkennis van de Universiteit Limburg, kijkt men daar vreemd van op. Waar is de harde hand van de ploegbaas? Het lijkt er op dat de echte prikkel bij veel Nederlandse profs weg is. Hetgeen ook geldt voor een aantal jonge coureurs, dat bij WordPerfect (Raas) of TVM (Cees Priem) gemakkelijk zijn brood verdient. De patatgeneratie kan niet meer goed afzien, ze moet bovendien de steeds sterker wordende internationale elite voor zich dulden. De schuld voor de verslapping ligt ook bij de sponsors, die veel te diep in de geldbuidel tasten voor een beperkte of modale renner.

Bij het zoeken naar andere oorzaken voor de onthutsende neergang van het Nederlandse wielrennen stuit men op méér misstanden. Zo is de opleiding van de ploegleiders van de amateurs lang niet optimaal, want naar schatting is slechts éénderde van hen gediplomeerd. En de renners uit die categorie doen weliswaar mee aan de ogenschijnlijk nuttige en harde Topcompetitie, de praktijk leert dat ze door hun deelneming nauwelijks aan buitenlandse koersen toekomen. En het wielervak leer je niet in de polder of op een brug, maar in de heuvels of de cols, over de grens.

De ploegleiders van de profteams roepen voortdurend dat er in Nederland geen talent meer voorhanden is. Deels hebben ze gelijk, het aanbod houdt niet over. Maar Raas, Post en Priem gaan zelden naar de amateurs kijken en dat is weer heel verwerpelijk. Scouting is toch een pijnlijk zwak punt. De drie teambazen zeggen alles over te hebben voor een uitblinkende allrounder. Want die is uiterst zeldzaam. Waarom stonden zij of hun vertegenwoordigers dan niet bij Alvaro Mejia (nu Motorola) op de stoep toen die getalenteerde Colombiaan - vanochtend als tweede vertrokken in het algemeen klassement van de Tour - aan het begin van het jaar lange tijd zonder werkgever was?