Ze laten zich niet opjagen, daar in Pal

PAL, 20 JULI. De Tour komt voorbij. Alle dorpen tussen Perpignan en Andorra, alle gehuchten, alle vlekken die nog niet eens op de kaart zijn te vinden, ze verkeren in blijde verwachting. Al om acht uur 's ochtends. Terwijl de Tour toch pas om half tien optrekt. En hoe lang is het niet naar Catllar, Targassonne, Xixerella?

Winkels zwaaien open, een uur eerder dan gewoonlijk. Vlaggen worden uitgestoken. Spaanse. Catalaanse. En kleuters moeten hun feestelijkste kleren dragen, met kralen, kant en veel borduursel. En in de buurt blijven, zeggen hun moeders bij herhaling. Alsof hun lief ze komt schaken, zo glinsteren hun ogen, zo hebben ze zich opgedoft.

Grijsaards in pullover schuiven hun fauteuil naar buiten. Daar zullen ze op tronen als vorsten. Tot ook de laatste renner uit het zicht is. Vijf uur later. En in de lange winternachten, als de wind jankt in de bergen, zullen ze nog over deze dag verhalen. Met rollende ogen en weidse gebaren. Nog mooier dan die vechtpartij in '58. Nog mooier dan die passiemoord in Ur.

Maar Pal houdt zich daar ver van. Pal laat de Tour aan zich voorbij gaan. Geen opsmuk. Geen beweging. Pal blijft zichzelf.

En wat is nou eigenlijk Pal? Drie straten rond de Sint Clementuskerk. Huizen, opgebouwd uit rotsblokken, die met hun rug naar de wereld staan. Kleine ramen, grote luiken. Zo staan ook de bewoners in het leven. De mannen werken zwijgend op de akker. De vrouwen schrobben zwijgend stenen vloeren. Ook deze dag.

Zelfs de kinderen hebben geen oog voor het spektakel van buiten. Ze zijn verdiept in rituelen, zo oud als de bergen. Ze vegen langs hun neus en wapperen met hun oren. Klappen in de handen. Allen tegelijk. Daarbij lachen ze vrolijk. Maar de tonen die ze zingen, d, b, g, c, as en f, almaar dezelfde, ze klinken zo triest.

Die mensen in Pal, ze kunnen niet verhinderen dat supporters van heinde en verre hun helling bezetten, hun weiland met auto's bedekken, hun straten bekladden met leuzen. Ze doen niet eens een poging. Het lijkt wel of het ze niet raakt. Zoals het woeste geclaxoneer van de Tourkaravaan lijkt af te glijden langs de stilte van de bergen.

In de twee horeca-etablissementen van Pal worden vreemden geduld. Ze kunnen een drankje krijgen. Als ze geen haast hebben. Want ze laten zich niet opjagen, daar in Pal, in hotel Bonet en restaurant Lydia. Omdat er toevallig een Tour langskomt. En voedsel is er alleen voor mensen uit de buurt. Konijn met pruimen. Forel met bessen. “We zijn een streekrestaurant.”

Dat zeggen ze met harde keelklanken. Geen woord teveel. Zonder plichtmatige glimlach. Niet onvriendelijk.

Dat zeggen ze in koele ruimtes waar het galmt. Op dressoirs als altaren die de eeuwen kunnen trotseren, pronkt de televisie. De reportage van de Tour is allang begonnen. Maar de kijkkast staat uit.

Zelfs als de renners langs hun huizen flitsen, live en in levende lijve, verschijnen ze nog niet voor de ramen, trekken ze hun deuren niet open, die mensen in Pal. Alleen een oude vrouw met grauwe steunkousen verschijnt op het balkon. Ze kijkt misprijzend. Morgen zal ze er schande van spreken: de Tour kwam voorbij.