Wie Servië straft moet ook Kroatië aanpakken

De internationale gemeenschap bevindt zich weer eens in dubio over de oorlog in ex-Joegoslavië. Nu gaat het om de vraag of er, na de sancties tegen Joegoslavië (Servië en Montenegro), ook sancties worden genomen tegen Kroatië, wegens de rol van de Kroaten in Bosnië. De Britse minister Hurd vond het vorige week de hoogste tijd voor sancties; zijn Duitse ambtgenoot Kinkel vond het te vroeg. En na een gesprek tussen beiden vond ook Hurd het toen maar te vroeg. Net zoals de andere EG-collega's het te vroeg bleken te vinden: eerst moet de diplomatieke druk nog wat worden opgevoerd, zo besloten ze gisteren.

De kwestie van sancties tegen Kroatië is actueel sinds de strijd om Centraal-Bosnië tussen de Bosnische Kroaten en de moslims hoog oplaaide, met alle consequenties van dien in de vorm van bloedvergieten, "etnische zuivering' en de sabotage van hulpkonvooien. In Centraal-Bosnië alleen al zijn 1,1 miljoen vluchtelingen voor hun overleven aangewezen op humanitaire hulp van de VN - die die hulp niet kunnen verstrekken omdat de Kroaten de bevoorrading uit het centrale UNHCR-depot in Metkovic blokkeren. Ook het proces van "etnische zuivering' van de door de Kroaten veroverde moslim-gebieden gaat onverminderd voort. In Mostar, waar het volgens een VN-woordvoerder al sinds mei “elke nacht Kristalnacht is”, zijn hele wijken van moslims "gezuiverd'. Net als de Bosnische Serviërs (en op sommige plaatsen ook met hen samenwerkend) laten de Bosnische Kroaten weinig na om een "etnisch gezuiverd' deel van Bosnië in de wacht te slepen: mensen worden verdreven, moskeeën opgeblazen, dorpen verwoest.

De Bosnische Kroaten zijn in hun optreden aangewezen op hulp uit Kroatië zelf.In Zagreb wordt bij hoog en bij laag ontkend dat die hulp wordt gegeven en dat Kroatië geen greep heeft op wat de Bosnische Kroaten doen, maar die ontkenningen zijn verre van overtuigend. Mate Boban, de leider van de Bosnische Kroaten, is volledig aangewezen op de steun van de Kroatische president Tudjman. Volgens buitenlandse waarnemers in het gebied omvat de steun uit Kroatië zelfs de inzet van militairen van het reguliere Kroatische leger.

Kortom, zo vinden voorstanders van strafmaatregelen, als de internationale gemeenschap sancties tegen Servië heeft genomen wegens de rol van de Serviërs in de oorlog in Bosnië, zou ze nu sancties tegen Kroatië moeten nemen wegens de rol van de Kroaten: gelijke monniken, gelijke kappen.

Er zijn ten aanzien van deze sancties tegen twee vraagtekens. Het eerste betreft de vraag of sancties effect sorteren. Die tegen Servië zijn hun doel in hoge mate voorbijgeschoten. Weliswaar is president Slobodan Milosevic na maanden aandringen tot vredesduif bekeerd, maar de waarde van die bekering is dubieus: niet alleen kan ze elk moment worden herroepen, ze is slechts verbaal van aard en ze heeft geen zichtbare consequenties op het slagveld in Bosnië.

Voor de rest zijn de sancties slechts contraproduktief geweest. Ze hebben de Serviërs ertoe gebracht zich in een egelstellig terug te trekken en zich over te geven aan samenzweringstheorietjes over een Duits Viertes-Reich-in-oprichting en over een boze buitenwereld, die de Serviërs hun positie van leidende natie op de Balkan zou misgunnen. De sancties bevoordeelden niet de vredespartij maar de oorlogspartij: de "vredesduiven' Milan Panic, premier, en Dobrica Cosic, president, zijn van het politieke toneel verdwenen; van hun opvolgers heeft niemand nog een belangwekkend woord mogen vernemen en zal ook nooit iemand een belangwekkend woord vernemen. Per saldo is de rol van de federatieve leiding, net als die van de democratische oppositie in Servië, tot nul gereduceerd en heeft de anti-democraat Milosevic het rijk alleen gekregen.

Economisch en sociaal hebben de sancties geleid tot de volledige runering en criminalisering van Joegoslavië. De industrie heeft een achterstand van twintig jaar op de rest van Europa opgelopen. De inflatie bedraagt dit jaar tachtig miljoen procent, de werkloosheid is de facto meer dan vijftig procent, het gemiddelde inkomen is omgerekend nog maar zes procent van dat in 1991. De samenleving wordt gedomineerd door smokkel- en mafiabendes en de zwarte markt. De sancties treffen uiteindelijk vooral de gewone burger - niet de politieke leiding, niet de legerleiding (die zeventig procent van de begroting krijgt toegeschoven) en ook niet de politieke en militaire leiding van de Bosnische Serviërs. De sancties treffen bovendien de buurlanden.

Het tweede vraagteken betreft de vraag wat sancties tegen Kroatië kunnen gaan betekenen voor de 270.000 Bosnische moslims, die naar Kroatië zijn gevlucht. Menigeen in Kroatië, ook binnen de regering, ijvert voor het terugsturen van die vluchtelingen naar Bosnië, een verkapt doodvonnis. Tot nu toe heeft president Tudjman die druk weerstaan, voornamelijk omdat Kroatië zich moet bekommeren om zijn internationale reputatie: zo'n actie zou door het buitenland niet worden geaccepteerd. Als dat buitenland harde sancties tegen Kroatië neemt, zou dit argument zijn waarde verliezen en in die zin zouden ze dus wel eens kunnen bijdragen tot de bezegeling van het lot van 270.000 Bosnische moslims. Minister Kooijmans motiveerde gisteren het EG-besluit nog niet tot sancties over te gaan, met verwijzing naar die vluchtelingen.

Beide vraagtekens doen echter niet werkelijk ter zake. De gastvrijheid voor 270.000 moslim-vluchtelingen in Kroatië kan onmogelijk als alibi worden gebruikt voor het bewust scheppen van een nog grotere vluchtelingenstroom in Bosnië - en dat is wat de Bosnische Kroaten doen.

Ook het punt van de lage effectiviteit van de sancties tegen Servië speelt geen daadwerkelijke rol, al was het maar omdat de Kroaten zelf heel anders tegen strafmaatregelen aankijken dan de Serviërs. Kroaten zijn geen Serviërs, ze hebben niet de bunkermentaliteit die de Serviërs eigen is: zij zijn economisch, politiek en cultureel veel meer dan Servië op het Westen gericht, ze willen ook bij dat Westen horen en ze zullen zich alleen daarom al, anders dan de Serviërs, niet in een tegen de wereld gerichte egelstelling verschansen. De angst voor sancties is in Kroatië dan ook veel groter dan die in Servië ooit is geweest, zowel bij de bevolking als bij de regering. Sancties zullen waarschijnlijk als drukmiddel veel sneller effect sorteren. Daar komt bij dat in eerste instantie wordt gedacht aan milde sancties, niet vergelijkbaar met de huidige strafmaatregelen tegen Servië.

Anderzijds moeten geen illusies worden gekoesterd over het effect van sancties op de gebeurtenissen in Bosnië zelf: het zal niet mogelijk zijn met druk- en strafmaatregelen tegen Kroatië daadwerkelijk een eind te maken aan de steun die de Bosnische Kroaten uit Kroatië krijgen. Zelfs als de Kroatische regering werkelijk haar handen van de oorlog in Bosnië aftrekt, zal die steun in het verborgene onverminderd worden voortgezet. "Herceg-Bosna' - het door de Bosnische Kroaten beheerste deel van Bosnië - is geen apart land, met duidelijk afgebakende grenzen en grensposten die als zodanig functioneren en te controleren zijn. De facto maakt Herceg-Bosna allang deel uit van Kroatië.

Als drukmiddel-zonder-illusies is het voor sancties tegen Kroatië niettemin eerder te laat dan te vroeg. Als de Serviërs onder druk worden gezet of gestraft voor hun optreden in Bosnië, mag de internationale gemeenschap in bepaalde mate vergelijkbaar optreden van de Kroaten niet ongestraft laten. Het argument dat de Serviërs de oorlog zijn begonnen - ook dat argument gebruikte minister Kooijmans gisteren - kan niet als verzachtende omstandigheid worden gebruikt: de Serviërs zijn de agressor in hun strijd tegen de moslims en de Kroaten, maar de Kroaten vormen in Centraal-Bosnië en Herzegovina duidelijk de agressor in hun strijd tegen de moslims.