"Wanneer de baissiers gaan wenen.....'

Een lezer lucht zijn hart: "Ik ben een baissier en leef pas op wanneer de aandelen waar ik flauw op ben in elkaar klappen en de puts oplopen. Maar deze beurs kan niet stuk. Wat moet ik?'

Hij vertelt over medezwartkijkers die al even radeloos zijn. Een enkeling ging al om de bocht en ondervraagt haussiers over aantrekkelijke aandelen. De op één na hoogste vorm van verraad in naar beneden-kringen, want pessimisten praten met elkaar en nóóit met optimisten. En je ligt er helemaal uit bij ze als je ook nog gaat kopen. Dan rinkelt de telefoon niet meer.

Zelfs een welgemeend wanneer de baissiers gaan wenen loopt de beurs op z'n laatste benen stopt de klaagzang niet. "Ach, beurswetten gaan toch niet meer op. Goud en dollar tegelijk omhoog? Al maanden houdt ik alles bij op de computer. Waarom eigenlijk als het verleden geen houvast meer biedt voor het heden?'

Die mannen, vrouwen lijken niet zo somber, loopt het water in de mond bij een voorspelling als deze: "De komende twee jaar een bear-markt waarin de Dow Jones 65 procent daalt tot 1.000 punten. In mijn portefeuille zitten 35 procent cash, een kwart staatsobligaties, 15 procent internationale obligaties, 10 procent goud en géén aandelen.' Deze 180-graden-verdraaide profetie uit juli 1990 is van een Amerikaanse adviseur. Zijn obligaties en sinds kort ook het goud doen wèl het goed.

Beklagenswaardige put-liefhebbers en spaarders/beleggers die hun kruit tot nu toe op een renterekening hielden, zoeken naar een uitvlucht, een strategie om alsnog naar boven mee te doen, zonder alles op een kaart te zetten. Is dat verstandig?

Banken, commissionairs, beleggingsfondsen en handelaren komen met argumenten om beleggers op de tenen te houden: miljarden aan spaargelden die in aandelen gaan omdat de rente daalt, de Duitse economie die door het dal is, onze economie die volgend jaar weer aantrekt, hogere dollar enzovoort. Kijk maar naar de cyclische (economisch gevoelige) fondsen: veelbelovend, want de economie herstelt. Ook een beurswet.

Cyclische fondsen lijkt een naam voor bedrijven die het niet goed doen, omdat ze slecht geleid worden of werden. Voor het management is dat predikaat een welkom excuus. Die aandelen komen aan de beurt in ruil voor defensieve (kwalitatief goede) waarden. Een wet?

Vanuit de coulissen ziet het spel er misschien anders uit: de regisseurs incasseerden hun winst op kwaliteit als Unilever, Ahold en Elsevier, stapten over naar iets anders en zoeken nu gokkers voor KLM, Nedlloyd, Hoogovens, Fokker en andere cyclische paarden. Adviezen van buitenlandse commissionairs, die het spel in de vingers hebben, geven beleggers een extra zetje. Hoe lang deze race zal duren weet niemand. De cijfers over het eerste halfjaar bepalen waarschijnlijk de duur.

Wat moet een ongeschoolde belegger te midden van dat positieve nieuws? Dat vragen Amerikanen zich al enige tijd af. Die Dow Jones wil maar niet naar beneden. Daarom heeft het tijdschrift Smart Money onderzocht hoe betrouwbaar beurssignalen uit het verleden zijn. De conclusie luidt: "Voor iedere grafiek die wijst op een baisse-markt bestaat er een tegenovergestelde die het voortduren van de (VS-)hausse suggereert.'

Verder onderzocht dit blad de (on)betrouwbaarheid van bekende vuistregels over de afgelopen 60 jaar, een periode waarin Wall Street zes keer fors herstelde van een correctie.

De koers/winst verhouding stond eind mei voor alle aandelen in de Standard & Poor-500 index op 23,8, de hoogste stand sinds 1935, berekend met een 1992-winst van 19,08 dollar. Tijd voor een forse val, zegt een beurswet. Dat blijkt niet zo. In de maanden voor de 1981/1982-baisse bedroeg de k/w 7,6. Uitgaande van een verwachte 1993-winst van 27,16 dollar komt de k/w-500 uit op 16,7. Ook hier bepalen halfjaarcijfers het koerspeil.

Een andere graadmeter gaat uit van het geld dat particulieren in aandelenbeleggingsfondsen stoppen. In de eerste helft van dit jaar al ruim 40 miljard dollar. Een teken van oververhitting? Niet als je rekent met de totale belegging in fondsen: circa 40 procent in aandelen. Net voor de baisse van 1981/1982 lag die verhouding op 71,2 procent en voor die van 1977 op 78,1. Gaat dit ook in ons land op?

Een derde graadmeter is het dividend ten opzicht van de koers. Staat dat op 2,9 procent, zoals nu in de VS, dan wijst dat op een lagere beurs in het verschiet. Echter, tussen begin 1964 en het tweede kwartaal van 1965 was dat ook het geval, maar de correctie kwam pas in februari 1966. De technische factoren zeggen niet voldoende, vindt Smart Money, economische cijfers moeten het beleggingsbeleid bepalen.

Dat zal in Nederland niet anders zijn.