Irak houdt nog heel wat ruimte voor latere obstructie

“Blijf standvastig tegen de (VN-)blokkade tot die dank zij uw geduld en strijd instort”, had president Saddam Hussein zaterdag nog onderstreept in een toespraak tot het Iraakse volk. “De blokkade kan niet worden beëindigd door smeekbeden aan het adres van holen van schande, eerloosheid en misdaad”, legde hij uit.

Geen concessies dus aan het Westen en zijn Verenigde Naties in de hoop op intrekking van het handelsembargo - léék het. Want twee dagen later was Irak kennelijk door de bocht, ondanks al zijn bezwaren tegen schendingen van zijn soevereiniteit en ondanks al zijn beloften van standvastigheid. VN-afgezant Rolf Ekeus, voorzitter van de Speciale VN-commissie die Irak voorgoed van zijn massa-vernietigingswapens moet ontdoen, rapporteerde in Bagdad dat de Iraakse regering in beginsel had ingestemd met de bepalingen van resolutie 715 van de Veiligheidsraad, die in detail de Iraakse ontwapening en de controle op de resterende wapenindustrie regelt. De ruzie over de videocamera's op de proefterreinen voor raketten, waarmee Irak de zoveelste geallieerde militaire actie had geriskeerd, was voorbij.

Zoals gewoonlijk bleef er echter aanzienlijke ruimte voor latere obstructie, en in feite uitte Ekeus zich gisteren ook heel behoedzaam: “Ik denk niet dat er reden is voor een onmiddellijke waarschuwing aan Irak na dit overleg”, zei hij, en de klemtoon moet waarschijnlijk op het woord onmiddellijk worden gelegd. Ekeus onderstreepte ook dat Irak niet formeel resolutie 715 had aanvaard. Eind volgende maand, of begin september, zullen onderhandelingen beginnen over de toepassing van resolutie 715. Het zou een wonder zijn als de Iraakse autoriteiten daar géén nieuwe hindernissen zouden opwerpen. “Van de kant van de Veiligheidsraad en de Speciale commissie zijn we nog steeds erg wantrouwig ten aanzien van Iraks bedoelingen”, erkende Ekeus.

Ekeus zei ook dat het door hem bereikte “interim-akkoord” het waarschijnlijk makkelijker zou maken resultaten te bereiken bij de onderhandelingen in New York over een beperkte hervatting van de Iraakse olie-export, onder strikte controle van de VN. De Veiligheidsraad gaf Irak in 1991 toestemming om voor 1,6 miljard dollar olie te verkopen om medicijnen en levensmiddelen aan te schaffen, de activiteit van de Speciale commissie te betalen en Koeweitse oorlogsslachtoffers schadeloos te stellen. Maar de onderhandelingen over de modaliteiten waren tot dusverre steeds gestuit op Iraakse verwijzingen naar zijn soevereiniteit.

Een akkoord zou de zo langzamerhand bijzonder armlastige VN heel goed uitkomen. Het geld voor Iraks ontwapening wordt met steeds grotere tegenzin door de buitenwereld voorgeschoten. De internationale gemeenschap toont ook nog maar bitter weinig animo om hulpprogramma's voor de Iraakse bevolking te betalen: in het afgelopen voorjaar leverde een VN-verzoek om circa een half miljard dollar voor hulp aan Irak slechts enkele miljoenen aan toezeggingen op. Het hulpprogramma loopt dan ook langzaam vast, en op het toezicht door speciale bewakers van de VN is aanzienlijk beknibbeld. Niet veel landen hebben nog zin te betalen voor humanitaire hulp aan een land dat door zijn olierijkdom in principe tot de rijkste ter wereld zou kunnen behoren.

De Iraakse bevolking kan een infuus van voedsel en medicijnen goed gebruiken. de Voedsel en Landbouworganisatie van de VN, de FAO, waarschuwde vorige week nog dat na drie jaar handelssancties “een ernstige menselijke tragedie” in de maak is als de voedselaanvoer naar Irak niet wordt opgevoerd. VN-experts hadden “pre-hongersnood aanwijzingen” gevonden tijdens een recent bezoek aan het land: het handelsembargo had volgens hen “ernstige honger en ondervoeding voor een uitgebreide meerderheid van de Iraakse bevolking” veroorzaakt.

Daarbij vallen natuurlijk wel enkele kanttekeningen te plaatsen: Irak heeft ontheffing van het embargo om levensmiddelen en medicijnen te importeren. Bagdad zegt dat als gevolg van het handelsembargo niet te kunnen betalen, maar is er wel in geslaagd geld te vinden om de schade van de Golfoorlog van 1991 in bijzonder snel tempo te herstellen, met inbegrip van zijn conventionele-wapenindustrie, en zijn strijdkrachten weer op peil te brengen (waarvan onder andere de parades op president Saddam Husseins verjaardag en de militaire druk op de Koerden in het noorden en shi'ieten in het zuiden getuigen). Een gouden koets voor de jarige Saddam kon er ook vanaf.

Het is nog te vroeg om te zeggen of de olie-onderhandelingen uiteindelijk vruchten zullen afwerpen, ook al is de politieke lucht opgeklaard door Ekeus' verblijf in Bagdad. Niet alleen is er een verschil van mening over de weg waarlangs de olie wordt uitgevoerd - over zee of door de pijpleiding naar Turkije - ook zijn er problemen over het toezicht op de distributie van voedsel en medicijnen, met name in het shi'itische zuiden, waar het Iraakse leger een onophoudelijke oorlog tegen plaatselijke rebellen voert.

En als er eenmaal een akkoord is, moet dat nog door de Veiligheidsraad worden goedgekeurd. Sommige diplomaten hebben de laatste dagen twijfel geuit of de VS, die vetorecht hebben, zo'n akkoord in laatste instantie wel zullen goedkeuren. Niet alleen heeft een hervatting van de Iraakse olie-export, zij het beperkt, een verstorende werking op de oliemarkt, ook is het immers onvermijdelijk dat Saddam op deze wijze weer meer armslag krijgt. En de Amerikaanse president Bill Clinton heeft inmiddels heel wat meer afstand van Irak genomen dan aanvankelijk het geval was.

Datzelfde geldt, in verhevigde mate, voor opheffing van het handelsembargo tegen Irak, als dat land aan alle bestandsvoorwaarden na de oorlog om Koeweit heeft voldaan. Er is weinig fantasie nodig om te bedenken wat Iraks terugkeer als olie-exporteur voor gevolgen voor de olieprijzen zal hebben. Of voor de positie van Saddam. Maar als Washington niet wil, is er altijd wel een punt te vinden waarop Irak nét aan de voorwaarden heeft voldaan.