Het frequentiebeleid is ongrondwettig

Het is alweer enige tijd geleden dat de ether werd ontdekt. In 1888 deed Heinrich Hertz de eerste succesvolle experimenten met elektromagnetische transmissie. In 1901 verzond Marconi een radiosignaal over de Atlantische Oceaan. In 1919 verzorgde ir. Schotanus à Steringa Idzerda vanuit zijn woning in Den Haag de eerste reguliere omroepuitzendingen, die tot in Engeland "draadloos' waren te ontvangen.

Sinds Idzerda's eerste "soirée musicale' is er veel gebeurd in omroepland. De opmars van de omroep ging gepaard met de ontsluiting van nieuwe frequentiegebieden: voor radio de middengolf, de korte golf en de FM-band, voor televisie eerst de VHF-, later de UHF-band. Ook buiten de omroepbanden groeide de bruikbare ruimte in de ether spectaculair, vooral in de hogere frequentie-gebieden. Tegelijk steeg ook de behoefte aan frequenties, vooral voor mobiele telecommunicatie (defensie, scheepvaart, luchtvaart, autotelefoon, "personal phone').

Merkwaardig genoeg heeft de verdeling van frequenties zich in Nederland tot voor kort geheel aan het openbare debat onttrokken. Terwijl politiek Den Haag zich over omroeppolitieke trivialiteiten druk maakte, verdeelden de grote frequentiegebruikers (Defensie, PTT, omroep) in een achterkamertje de ether.

Met de legalisering van commerciële omroep en de afkalving van het PTT-monopolie is het met de rust op het etherfront gedaan. Eind dit jaar - meer dan een eeuw na Hertz - verschijnt de eerste algemene nota over het frequentiebeleid, een werkstuk van het ministerie van verkeer en waterstaat waar met spanning naar wordt uitgezien. Dit voorjaar opende de minister van WVC de discussie met een tweetal brieven (van 11 maart en 16 juni) aan de Tweede Kamer waarin een “provisorische” verdeling van een aantal niet door de publieke omroep gebruikte “restfrequenties” in de FM- en AM-band werd aangekondigd.

Waarom "provisorisch'? Omdat de minister van WVC naar huidig recht vrijwel geen bevoegdheden heeft een frequentieverdelingsbeleid uit te voeren. Op grond van art. 167A Mediawet is de uitzending van buitenlandse omroepprogramma's via etherzenders zonder meer toegestaan. Voor binnenlandse commerciële omroep geldt op grond van artikel 167 een niet nader gespecificeerd toestemmingsvereiste. In wezen wordt het provisorische beleid opgehangen aan het dunne draadje van artikel 17 van de Wet op de Telecommunicatievoorzieningen, dat aan de minister van V&W (niet: WVC) de “technische” bevoegdheid geeft zendmachtigingen te verlenen.

De minister erkent volmondig dat het huidige wettelijke instrumentarium ontoereikend is. De aangekondigde verdeling geschiedt in afwachting van wetgeving die nog in voorbereiding is. Oorzaak van deze leemte is, zoals wel vaker, de weinig vooruitziende blik van het omroepministerie. Na vele jaren touwtrekken is commerciële omroep (zowel “buitenlandse” als “binnenlandse”) toegestaan - óók via de ether - maar de minister heeft over het hoofd gezien dat er voor commerciële etheromroep wel eens meer gegadigden zouden kunnen zijn dan beschikbare frequenties.

De minister heeft zich door dit gebrek aan bevoegdheden overigens niet laten ontmoedigen. In beide brieven wordt uitvoerig een drietal criteria geschetst waaraan gegadigden moeten voldoen. Heel redelijk is de eis van een solide organisatie en bijbehorend "business plan'. Curieus zijn daarentegen de twee andere criteria. Kandidaten moeten bijdragen aan de diversiteit van het (door de publieke omroep verzorgde) totale programma-aanbod. Aan nòg een “middle of the road” muziekzender bestaat naast Radio 3 geen behoefte, zo schrijft de minister hooghartig. Liever ziet zij zenders die muziek uitzenden voor specifieke “doelgroepen”. Deze programmatische criteria zijn uiterst aanvechtbaar. Zij staan haaks op het uitgangspunt van de Mediawet dat aan commerciële omroep zo min mogelijk inhoudelijke eisen worden gesteld. In wezen creëert de minister op deze wijze - zonder wettelijke basis - haar eigen commerciële omroepbestelletje.

Daarmee speelt zij bovendien een riskant spel. Zoals de commissie-Donner in haar rapport Verdeelde frequenties, veranderde omroep concludeerde, verliest het publieke omroepbestel haar (Europees-rechtelijke) legitimatie naarmate het onderscheid tussen publieke en commerciële omroep verwatert. Het ziet er naar uit dat de minister met de aangekondigde frequentieverdeling aanstuurt op een - zoveelste - Europees-rechtelijk debâcle.

De programmatische voorwaarden staan bovendien op gespannen voet met artikel 7 van de Grondwet, dat voorafgaand toezicht op radio en televisie verbiedt en een wettelijke basis voor overheidsbemoeienis met de omroep voorschrijft.

Klap op de vuurpijl is het derde criterium: het bod. Kandidaten die voor een ethernet in aanmerking willen komen, worden uitgenodigd hierop te bieden. De hoogte van dit bod zal bij de verdeling van de frequenties worden meegewogen. Het bod heeft overigens slechts een “vrijwillig” karakter, zo haast de minister zich hieraan toe te voegen. Immers, ook hiervoor ontbreekt een wettelijke basis. Maar hoe "vrijwillig' is een bod dat bij de verdeling van (schaarse) frequenties wel degelijk wordt meegeteld? Niet echt van ganser harte, dunkt ons. Ook hier is strijd met de Grondwet, die voor het heffen van belastingen een wettelijke basis vergt, aanwezig.

Tussen de regels van beide brieven doorlezend wordt duidelijk dat de minister aan een met wettelijke waarborgen omklede procedure eigenlijk geen enkele behoefte heeft. Zij heeft haar favourite son al aan de borst geklemd. Kandidaten die een “bijdrage leveren aan de muziekcultuur in Nederland” genieten haar sterke voorkeur. Wie zou de minister daar nu mee bedoelen?

Pottekijkers worden door de minister bij de uitvoering van haar beleid niet op prijs gesteld. Het Commissariaat voor de Media, het overheidsorgaan dat vijf jaar geleden in het leven werd geroepen met de taak "op afstand' het omroepbestel te administreren, zal bij de verdeling van frequenties geen rol spelen.

In Duitsland heeft het Bundesverfassungsgericht in de afgelopen jaren diverse omroepwetten ongrondwettig verklaard, omdat het verlenen van zendmachtigingen niet met voldoende wettelijke waarborgen was omkleed. Nederland kent (nog) geen constitutioneel hof. Aan de Tweede Kamer dus de taak hier haar constitutionele verantwoordelijkheden te nemen. “De wet stelt regels omtrent radio en televisie”, aldus de Grondwet. Let wel: de wet; niet: de minister of haar ambtenaren.