Groteske strips voor de wereldwijde underground

De tekeningen die hij op driejarige leeftijd maakte konden in overzichtelijke categorieën worden ondergebracht: draken, skeletten en - "omdat we naast het spoor woonden' - treinen. De belangstelling voor treinen was van korte duur, maar draken, monsters en schedels is Marcel Ruijters (26) tot op de dag van vandaag blijven tekenen. Het repertoire is wel uitgebreid: hij heeft nu ook belangstelling voor Siamese tweelingen, Afrikaanse maskers en seriemoordenaars.

Hij woont bij zijn ouders in Sittard. De schilderijen van vader Ruijters - bosgezichten en zonsondergangen in woeste kleuren - vullen huiskamer en gang. Het kamertje van Marcel biedt een andere aanblik: overal schilderijen en tekeningen van groteske figuren met uitgerekte ledematen en wijd opengesperde monden en ogen. Op het boekenplankje staan Céline en Poe ingeklemd tussen de documentatie over serial killers. Midden in het kamertje een eigenhandig in elkaar geknutselde tekentafel. Hier werkt hij zijn strips uit aan de hand van eerder gemaakte schetsen. Ideeën komen immers onaangekondigd: “Invallen zijn, net als dromen, moeilijk te onthouden. Op zo'n moment verkeer ik in een andere bewustzijnstoestand. Ik krijg flarden van beelden door, alsof ik me stukjes film herinner.”

Dergelijke vruchtbare momenten beleeft hij per dag hooguit gedurende een minuut of vijf. “Meer zit er gewoon niet in. En als het tegen zit, heb ik op zo'n moment niks bij de hand om te tekenen.” Groot is die kans niet, want Ruijters heeft het schetsboek waarin hij zijn invallen optekent vrijwel altijd bij zich en mag bijvoorbeeld graag tekeningen uitwerken in de trein. De veelal met waterverf ingekleurde tekeningen tonen een rijke hoeveelheid fantastische wezens. “Die schetsen zijn in een onbewaakt moment ontstaan en ontlenen daar hun kracht aan. Net als de krabbels die je maakt als je telefoneert, die zijn vaak verrassend omdat ze in een toestand van verminderd bewustzijn werden gemaakt.”

Hij vertelt hoe de componist Sjostakovitsj in de Eerste Wereldoorlog een granaatscherf in z'n hoofd kreeg en sindsdien als een soort radio fungeerde. “Hij beschouwde die scherf in z'n hoofd als een antenne. Hij ontving muziek uit andere sferen en schreef die op.”

Ruijters belandde op 19-jarige leeftijd op de kunstacademie van Maastricht. “Zoals de meeste striptekenaars liep ik op de Academie met mijn kop tegen de muur. Je moest er vooral gróte schilderijen maken. En liefst expressionistisch of abstract. Mijn klasgenoten begonnen steeds meer op elkaar te lijken. Iedereen werd in een bepaalde richting geduwd.” Dat leerlingen op de Academie verondersteld worden voor zichzelf op te komen ziet Ruijters niet als leerzaam. “Daarmee wordt je assertiviteit op de proef gesteld, maar dat heeft niets met je talent te maken.” Het stoorde Ruijters dat slechts één leraar iets van strips afwist. “Van Moebius, Bilal of Winsor McCay hadden ze daar nooit gehoord. Ik kon niet duidelijk maken wat mj inspireerde; die mensen waren nooit verder gekomen dan Donald Duck. Dan houdt het op hè. Iemand die wil gaan schilderen en nooit van Picasso heeft gehoord nemen ze toch ook niet serieus?”

Na drie jaar hield hij het voor gezien. Als reactie op de door de Academie gepropageerde museumkunst bundelde hij zijn tekeningen, strips en gravures in kleine boekjes die hij voor een paar gulden aan de man bracht. “De grote schilderijen die je op de Academie moest maken zou je alleen kwijt kunnen aan mensen uit de hogere sociale klassen. Mijn eigen vriendenkring zou het zich niet kunnen permitteren zoiets te kopen. Dat idee stond me ontzettend tegen.” Ruijters richtte Mandragoora op, een blad dat hij in zijn eentje voltekende. Begonnen met twintig exemplaren is de oplage van het eenmanstijdschrift twaalf nummers later vertienvoudigd. Een hele verbetering met zijn kinder- en tienerjaren: “Toen heb ik massa's strips getekend in een oplage van één exemplaar.”

Ruijters wierp zich ook op als drijvende kracht achter het tijdschrift Onbegrijpelijke Verhalen dat hij met enkele geestverwanten voltekende. “De gedachte achter die titel is dat de verhalen ontstaan uit de tekeningen in plaats van andersom. De algemene opvatting over strips is dat tekeningen in dienst staan van het verhaal. Maar je bouwt zo'n verhaal op door het consequent weer af te breken.” De Russische schrijver Daniël Charms en de surrealist Henri Michaux zijn de grootste inspiratiebronnen van het tekenaarscollectief.

Schilderijen maakt Ruijters niet veel meer. Hij heeft in Sittard en omstreken wel eens geëxposeerd, maar schilderen kost hem te veel tijd. “In de tijd dat je één schilderij maakt kun je minstens twintig tekeningen maken.”

Hij vindt dat de schilderkunst op een dood spoor beland is. “Als je blijft doen alsof beeldende kunst het enige zaligmakende is, heb je oogkleppen op. Het is een hitparade geworden. Je moet de meest idiote dingen bedenken om aandacht te krijgen. Musea kunnen niet concurreren met de beeldenstroom die via de media op de mensen afkomt. Een kunstenaar die wil communiceren kan beter boekjes of strips maken dan schilderijen.”

Via de uitwisseling van zelfgemaakt drukwerk onderhoudt Ruijters intensieve contacten met tekenaars over de hele wereld. Hij laat een tijdschrift zien waarin honderden kleine blaadjes zijn opgenomen. “Daarachter schuilt een wereld van mensen die per post met elkaar communiceren. Ook mensen die zelfgemaakte video's of computerprogramma's ruilen. Het zijn hele netwerken. Alles wat ver van de mainstream verwijderd ligt is veroordeeld tot dit soort verspreidingsmethoden.” Ruijters wisselt via dit circuit niet alleen blaadjes en tekeningen uit, maar betrekt ook zijn muziek via de "cassette scene'. “Ik sta elke dag op met een pakjesavond-gevoel; kijken wat voor postpakketje er nou weer op de mat ligt.”

En toch: de vraag waar hij het allemaal voor doet houdt hem de laatste tijd wat meer bezig. “Je stopt ontzettend veel energie in het maken van die boekjes en krijgt maar weinig feedback.” Hij besloot onlangs "al zijn fiches' op stripalbums in te zetten. In een voor Ruijters' begrippen ongekend hoge oplage van 700 exemplaren verscheen vorig jaar het futuristische stripverhaal De val van Camp. Sinds april is ook een tweede deel van de avonturen van Dr. Molotov verkrijgbaar.

Hij is gehecht aan de underground scene (“Je kunt je allerlei vrijheden permitteren”) maar wil er niet in vast komen te zitten. Verzoend met de gedachte niet alles alleen te kunnen doen heeft hij de distributie van zijn strips inmiddels uit handen gegeven. “Ik wil nu eens bekijken of er ook op andere terreinen mensen zijn die me verder kunnen helpen.”