Boven Dokkum

Ik geloof dat Jacob twee jaar jonger is dan ik. Hij moet twintig zijn geweest toen in '68 zijn veelbelovende dichtbundel verscheen. En daar bleef het bij. Zijn "onversneden oeuvre' noemt hij dat sarrend.

“Wat ik het meest bewonder”, zegt hij zonder waarneembare aanleiding. (Of het moet een groepje spreeuwen zijn, als kipjes in de berm.)

“Wat ik het meest bewonder”, zegt hij, “is al die vitaliteit om ons heen. Die blinde bezieling. Dat domweg doorgaan. Dat niet vragen, niet zeuren, niet piekeren, leven!”

“God”, zegt hij, “dat bewonder ik enorm. Niet omdat het iets bewijst, niet omdat het wat oplevert, niet omdat het wáár is, maar omdat het goed is, omdat het van waardigheid getuigt, omdat het stijl heeft.”

“En dat bewonder ik te meer”, zegt hij, “omdat ik er zelf niets van heb. Zelf sluit ik me op in mijn kamer. Ik ga op de bank liggen, vouw mijn handen achter mijn hoofd en denk: waar dient het toch allemaal voor?”

De weg voert in een flauwe bocht naar de horizon. Aan de hemel het onheilspellende blauw van druiven. Ik kijk opzij en zie Jacob fronsen.

“En dan staat daar de foto van mijn grootvader”, zegt hij. “Hij ziet wat ik doe, hij weet wat ik denk en werkelijk, dan schaam ik me.”

“Ja”, zeg ik, “je moest je doodschamen.”