Band VS-Vietnam "niet meer te stoppen'

De Verenigde Staten openen binnenkort een "tijdelijke' diplomatieke missie in Vietnam. De stap zou het begin kunnen zijn van een volledig herstel, mogelijk dit najaar al, van de in 1975 afgebroken betrekkingen.

HANOI/AMSTERDAM, 20 JULI. Het understatement is onverslaanbaar: Nguyên Xuân Phong (48), directeur op het Amerika Departement van het Vietnamese ministerie van buitenlandse zaken, spreekt van “een trieste erfenis die drukt op de relatie tussen de Verenigde Staten en Vietnam”. Het is een en al vriendelijkheid voor de Amerikanen bij Nguyen. De oorlog is voor hem, een vroegere Vietcongstrijder, lang verleden tijd, “we willen vriendschap en samenwerking, hoe eerder hoe beter”.

Het besluit van de Amerikaanse regering om binnenkort - een datum is niet genoemd, vermoedelijk binnen enkele weken - drie diplomaten naar Hanoi te sturen is door de Vietnamezen positief maar voorzichtig ontvangen. Nguyên geeft toe dat de weerzin tegen herstel van de banden met de VS niet alleen uit Amerika komt, in de Vietnamese staat en partij bevinden zich invloedrijke personen die op hun beurt gruwen van een terugkeer van de Amerikanen, ook al zijn het ditmaal geen schietende GI's maar vriendelijk lachende diplomaten. Hij spreekt van “emotionele problemen” aan beide zijden.

Officieel heeft Washington gezegd dat de drie diplomaten "tijdelijk' zullen worden gestationeerd, met als opdracht mee te helpen bij het onderzoek naar de 2.253 Amerikanen die sinds het einde van de Indochinese oorlog, in 1975, nog in de regio worden vermist. In de Verenigde Staten bestaat een zeer krachtige lobby van familieleden van vermisten en politici uit het "Vietnam-tijdperk', (onder wie ex-minister van buitenlandse zaken Henry Kissinger en de vroegere veiligheidsadviseur, Zbigniew Brzezinski) die tegen elke vorm van toenadering met Vietnam zijn zolang dat land nog communistisch is.

Over de kwestie van de MIA's (Missing in Action - de term waarmee de vermiste Amerikaanse militairen worden aangeduid) zegt Nguyen: “We beschikken over niet meer informatie dan we hebben gegeven.” De Vietnamezen houden vol dat de nu nog vermiste Amerikanen onmogelijk nog traceerbaar zijn, zoals in elke grote oorlog veel mensen in het niets verdwijnen. Aan Vietnamese zijde bedraagt het aantal vermisten meer dan honderdduizend.

Drie maanden geleden bracht een Australische wetenschappelijk onderzoeker, Stephen Morris, een tot nu toe onbekend Vietnamees rapport in de openbaarheid dat hij zou hebben aangetroffen in de geopende archieven van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie. Het rapport zou dateren uit september 1972 en zijn opgesteld door de Noordvietnamese generaal Tran Van Quang, die melding maakte van 1.205 Amerikaanse krijgsgevangenen op dat moment. Zes maanden later, op 1 april 1973, liet Vietnam, overeenkomstig de Parijse vredesakkoorden, alle Amerikaanse gevangenen die het toen zei te hebben, vrij, namelijk 591.

Het rapport bracht grote opschudding teweeg in de VS. De vraag luidde immers, indien het rapport van generaal Tran juist was: waar zijn de andere 614 Amerikanen gebleven? Brzezinski concludeerde meteen: “De waarschijnlijkheid dat de Vietnamezen honderden Amerikaanse krijgsgevangenen in koelen bloede hebben doodgeschoten is zeer groot.”

In kringen van de Amerikaanse regering stond men echter veel sceptischer ten aanzien van de "onthulling'. Nader onderzoek van het document bracht het State Department tot de conclusie, dat, zoals een functionaris het uitdrukte, “hoe vaker je de tekst bestudeert, hoe belachelijker deze wordt”. Diverse feiten uit het rapport bleken aantoonbaar onjuist en bovendien hadden de wèl teruggekeerde Amerikanen nooit melding gemaakt van een zo groot aantal "verdwenen' medegevangenen. Nguyên zegt - weinig verrassend - dat zijn regering de Amerikanen er vanaf het begin van heeft proberen te overtuigen dat het om een vervalsing ging.

Vervalsing of niet: in de Verenigde Staten bepalen geruchten al jaren de atmosfeer ten aanzien van Vietnam. Met enige regelmaat duiken foto's op van zogenaamde nog levende Amerikaanse krijgsgevangenen. In alle gevallen is tot nu toe gebleken dat het om vervalsingen ging.

Volgens Dr. John Kleinen (45), antropoloog aan de Universiteit van Amsterdam en Vietnam-kenner is het MIA-vraagstuk voor de Amerikaanse regering “een gepasseerd station”. Kleinen ziet “eigenlijk geen grote politieke struikelblokken meer bestaan” voor herstel van de betrekkingen tussen de VS en Vietnam. “Hanoi heeft aan alle voorwaarden die Washington had gesteld voldaan.”

Hij noemt onder meer het vrijlaten van de vroegere medewerkers van het pro-Amerikaanse Thieu-bewind in Zuid-Vietam, de Vietnamese terugtrekking uit Cambodja, een verbetering van de situatie van de mensenrechten en verregaande medewerking op het gebied van de MIA's. “Deze ontwikkeling is niet meer te stoppen”, zegt hij, “pas als je een kracht op een lichaam laat inwerken, komt het in beweging.”

Vestiging van een meer-partijen-democratie is door de Amerikanen nooit als voorwaarde gesteld; dat is ook in banden met andere landen geen criterium. Van een "echte' democratie zal het voorlopig ook niet komen in Vietnam, denkt Kleinen, “de angst voor bat an, instabiliteit, is daarvoor te groot onder het Vietnamese leiderschap”. De antropoloog is van mening dat zich in de nabije toekomst hooguit een "autocratisch bewind' zoals dat in Singapore heerst kan ontwikkelen.

Washington is ook al enige tijd tot de conclusie gekomen dat stappen in de richting van Vietnam op zijn plaats zijn. Het aantal Amerikaanse diplomatieke bezoeken aan Vietnam is de afgelopen jaren fors toegenomen. In 1991 opende Washington een - niet-diplomatiek - bureau voor onderzoek naar MIA's, in het Boss-hotel in Hanoi. En op economisch-financieel terrein laten de Amerikanen de druk van het embargo, in 1964 ingesteld voor Noord-Vietnam en elf jaar later uitgebreid voor heel Vietnam, steeds meer varen. Bevriende naties hebben via het bedrijfsleven allang de weg naar Vietnam gevonden en Amerikaanse ondernemingen zijn hard bezig datzelfde te doen. Twee weken geleden hief Clinton het verbod van het Internationale Monetaire Fonds op om Vietnam leningen te verstrekken.

Op 14 september loopt het embargo af en moet Clinton besluiten tot verlenging of opheffing. De Amerikaanse president lijkt geneigd het embargo te willen laten varen en zou daarmee de poort naar diplomatieke betrekkingen wijd openzetten, maar het staat vast dat hij op zeer veel tegenstand moet rekenen. In het congres zullen "formele hoorzittingen' worden gehouden, waarin de MIA-lobby zich krachtig zal laten gelden.

John Kleinen denkt niet dat de Amerikanen een grote achterstand hebben opgelopen in Vietnam wat betreft investeringen. “De infrastructuur van Vietnam moet nog helemaal worden opgebouwd, pas wanneer dat is gebeurd, wordt het echt lucratief.” De Amerikanen hebben onder de gewone Vietnamezen zoveel "goodwill' dat hun produkten gretig aftrek zullen vinden, meent Kleinen.

Hanoi is in elk geval voorbereid op terugkeer van de Amerikanen. Een door de Fransen gebouwde villa aan de Hai Ba Trung-straat is al jaren geleden gereserveerd om te dienen als nieuwe ambassade voor de oude vijand.