ADELBORSTEN

Nu de heer Hartog mij (NRC Handelsblad 10 juli) "schrijvende heeft ingevoerd' in de gedachtenwisseling betreffende de in de zomer van 1940 van de Nederlandse beroepsmilitairen gevraagde verklaring op erewoord lijkt een korte verduidelijking mij op haar plaats.

Tot nu toe heb ik mij tweemaal over het onderwerp in kwestie uitgelaten: in mijn dissertatie (pag. 296 e.v.) en in de onder redactie van G. Teitler uitgegeven bundel "Tussen crisis en oorlog' (pag. 103 e.v.). Beide malen ging het mij in de eerste plaats om de feitelijke gang van zaken.

Vast staat dat de in Nederland verblijvende adelborsten op 12 juli 1940 naar huis zijn gezonden. Daardoor is hun de keuze tussen wèl of niet tekenen bespaard gebleven. Er zijn aanwijzingen dat de beslissing van de marineleiding hen naar huis te sturen te danken is aan een initiatief van vice-admiraal jhr. G.L. Schorer, voorzitter van de commissie tot het examineren van officieren en adelborsten.

Uit het bovenstaande moge duidelijk zijn dat er geen sprake geweest is van een "weigeren' de verklaring te tekenen door enige adelborst. Doordat zij niet hadden "hoeven' te tekenen stonden de adelborsten uiteraard vrijer tegenover de bezetter dan de Nederlandse militairen die wel hun erewoord aan de vijand hadden gegeven. Het lijkt mij bepaald niet onwaarschijnlijk dat er verband bestaat tussen laatstgenoemde omstandigheid en de opvallend intensieve deelname van adelborsten (zo men wil ex-adelborsten) aan het verzet in zijn eerste fasen.