Onstuimige dans rond een zacht mekkerend schaap

bp Julidans. Voorstelling: Sonatas 555. Choreografie: Michèle Anne De Mey. Muziek: Scarlatti. Toneelbeeld: Michel Thuns. Kostuums: Alain Wathieu. Gezien 16/7, Stadschouwburg Amsterdam.

Een wat dromerige man, gezeten op een zware kei en vergezeld van een groot zwart schaap, zet al direct de sfeer van het dansstuk Sonatas 555 van de Belgische Michèle Anne De Mey. In het kader van Julidans beleeft het zijn première in de Amsterdamse Stadsschouwburg.

Begeleid door de medewerkenden zal dat schaap de gehele voorstelling over het toneel gevoerd worden, zo nu en dan een keuteltje of een plasje achterlatend, dat dan met veger of dweil keurig wordt verwijderd. Eenmaal ontsnapte het dier aan zijn bewakers en vluchtte de zaal in, hetgeen uiteraard nogal wat consternatie veroorzaakte.

De Mey heeft zich laten inspireren door de etude-achtige klavecimbel sonates van Scarlatti, levendige, speelse stukken waarvan de sfeer en constructie knap in een bewegingscompositie zijn verwerkt. De negen dansers lijken op een ongecompliceerd groepje jonge tieners op zomerkamp. Ze dartelen als jonge honden over het toneel, moedigen elkaar met kreten aan, maken vrolijke kleine sprongetjes, rollebollen over de vloer, storten zich in elkaars armen, aaien het schaap, wiegen verleidelijk met de heupen in een voorzichtig opbloeiend erotisch spel en manouvreren met lange stokken, waarvan de kleur een symbool is voor hun persoonlijkheid.

De stokken fungeren soms als een reusachtig Mikado-spel. Als het tijd is voor wat rustiger activiteiten worden ze verwisseld voor een miniatuuruitgave ervan, waarmee op een klein, laag platform verder gespeeld wordt.

Het aantrekkelijke van Sonatas 555 is de vaart en het ongeremd bewegingsplezier, dat gevoed wordt door De Mey's ongepolijste dansidioom. Daarin zijn veel elementen terug te vinden uit haar verleden bij Anne Teresa de Keersmaeker: de scheef gehouden, naar beneden gerichte hoofden, de uit het lood vallende en draaiende lichamen, de zijwaarts uitschietende benen, de losjes zwaaiende armen, de precieus trippelende voeten.

De manier waarop De Mey haar dansers in verschillende formaties de ruimte laat vullen is gevarieërd en ongeforceerd. Toch treed na zo"n 45 minuten een verzadiging op. Al die vitale, onschuldige speelsheid verliest door de herhalingen de spanning, terwijl er voor het telkens verplaatsen van de stokken en het rondwandelen met het zacht mekkerende schaap - een constante aandachtstrekker overigens - nauwelijks meer een reden te vinden is. Dat er dan nog zo"n twintig minuten te gaan is, betekent echter geen werkelijke ramp. Daarvoor zorgt de spontaniteit en kunde van de internationaal samengestelde groep van vier dansers en vijf danseressen. Een voorstelling, die het verdient ook buiten Amsterdam gezien te worden.