LEO FERRE 1916 - 1993; Ni Dieu, ni matre

Léo Ferré, die vorige week op 76-jarige leeftijd overleed, is zaterdag begraven in Monte Carlo, dichtbij de kust waar hij als zevenjarig jongetje denkbeeldige orkesten stond te dirigeren. “De muziek kwam van zee,” zei hij later. Ferré, één van de laatste groten van het Franse chanson, stierf op quatorze juillet in zijn huis in Toscane, dertig kilometer van Siena, waar hij zich begin jaren zeventig terugtrok en zijn derde gezin stichtte. Sindsdien verscheen hij alleen bij hoge uitzondering nog in de concertzaal - een benig hoofd met lange grijze manen boven een zwarte trui en broek - om te zingen van de romantiek en de rebellie, of alletwee tegelijk, want in zijn repertoire lagen beide hartstochten in elkaars verlengde.

Als zoon van de personeelschef van het Casino van Monte Carlo leek Léo Ferré aanvankelijk een andere kant op te gaan. Hij kwam naar Parijs om rechten te studeren, stapte over naar de filosofie, maar raakte in de late jaren veertig in Saint-Germain-des-Prés definitief van het nette pad. In hoog tempo begon hij chansons te schrijven, slechts onderbroken voor nachtenlange discussies met Sartre, Vian en de andere intellectuele stamgasten in de cafés en cabarets die hij frequenteerde. Zijn eerste grote succes was het uitdagende Paris-canaille!, in 1953, dat in de vertolking van Catherine Sauvage de status van een volkslied kreeg. Een jaar later, toen hij in het Olympia in de show van Josephine Baker verscheen, werd hij ook als uitvoerder populair.

Maar de man met het scherpe profiel en de bijtende stem was niet van plan zijn publiek te behagen met zoetgevooisde chansons, zoals zijn collega's deden. Regelmatig kwam hij met zijn opstandige taal in botsing met de autoriteiten en in 1962 belandde het anti-militaristische Mon Général, gericht aan president De Gaulle, op de zwarte lijst van de radiostations. Met zijn melodieuze toonzettingen op verzen van geestverwante poètes maudits als Baudelaire, Rimbaud, Verlaine en François Villon, legde hij weliswaar artistiek eer in, maar het brede publiek luisterde liever naar Bécaud of Aznavour. En zijn pogingen om elders erkenning te krijgen als dirigent en componist van symfonische werken, werden slechts incidenteel toegejuicht. Koppig kondigde Ferré een paar keer aan dat hij nooit meer een chanson zou zingen als niet eerst “de oren van de idioten” open gingen voor zijn klassieke werk.

Maar de Parijse meirevolutie van 1968 gaf zijn carrière een tweede leven. Opeens vond Léo Ferré nieuwe toehoorders, die de oudere anarchist profetische kwaliteiten toedichtten. Graag bracht hij een ode aan de nieuwe tijdgeest (O Paris de Nanterre, Paris de Cohn-Bendit / Paris qui s'est levé avec l'intelligence), maar toen de omwenteling geen blijvend andere wereld bleek voort te brengen, verwoordde hij zijn deceptie vervolgens in het bitse Paris, je ne t'aime plus. Na zijn afscheid van de barricaden en zijn vertrek naar Toscane kregen zijn liedjes een weemoediger toon - het mooist in het navrante Avec le temps va, tout s'en va uit 1970, dat dit weekend in alle Franse kranten is geciteerd als passende samenvatting van zijn leven en werken.

Nadien zei Léo Ferré dat hij alleen nog optrad als zulks financieel noodzakelijk was. Maar wie hem vervolgens zag zingen, kon dat nauwelijks geloven. Zijn beste chansons vormden een tijdloos pleidooi voor de vrijheid, in politiek, erotisch en godsdienstig opzicht - Ni Dieu ni matre - en de passie waarmee hij die had geschreven, kon hij zingend niet van zich afschudden.