Eindelijk verlost van Romario

We zijn hem eindelijk kwijt. Dat verwende ventje. Die discoganger. Die leugenaar.

Die egost. Die asociale, stinkende allochtoon die zich zogenaamd niet kon aanpassen aan ons, integere, gedisciplineerde, schoongewassen Nederlanders. Het heeft moeite gekost om hem weg te krijgen. We hebben z'n privé-leven uitgespit. We hebben voor zijn huis gelegen om te kijken of hij al uit bed was. We zijn hem tot diep in de nacht gevolgd om te kijken in welke donkere bar hij achter de vrouwen aanjoeg. We hebben meegevoeld met zijn ploeggenoten die wèl hard en altijd trainden, die in de wedstrijd voor hem het vuile werk opknapten. We hebben naar hen geluisterd als ze tekeer gingen over die luiaard. We hebben gelachen als een speler van een andere club durfde te zeggen dat zo'n naarling bij hem op de training over het hek was geschopt.

Hij maakte veel doelpunten. Hele mooie, die je in Nederland nooit zag. Hij kon een bal strelen, betoveren. Maar dat is geen kunst als je nooit werkt, nooit meeverdedigt en pikkertjes staat te wachten. En dan die kansen die hij miste. Vaak hij had die bal beter af kunnen geven. Maar dan deed hij net of hij die medespeler niet zag staan.

Hij sloeg een kruisje voor de wedstrijd. Soms als hij een doelpunt had gemaakt. Hij zei aan God te geloven. Die gaf hem kracht. Daar meende hij natuurlijk niets van. Hij loog toch altijd. Hij kwam afspraken niet na. En hij liet nota bene journalisten barsten. Hij had hen alleen nodig als hij de kritiek ziek was. Dan vertelde hij aan een bevriende journalist wat hij van zijn collega's, zijn trainer, het bestuur en de club vond.

Dat hij meespeelde was vriendjespolitiek. Zijn beste vriend was de manager. Die wilde dat hij speelde, anders had hij nooit gespeeld. Dan was hij al lang op het vliegtuig gezet naar dat land waar ze allemaal egosten zijn. Daar waar voetballers niet collectief denken, waar voetballers met een bal jongleren, maar alleen op het strand.

Johan Cruijff meent dat hij hem wel aankan. De Verlosser. Ach, er waren wel mensen die van hem genoten, van zijn doelpunten, van zijn balbehandeling, van zijn aanwezigheid die altijd iets moois beloofde. Mensen die niet genteresseerd waren in wat hij buiten de wedstrijd uitspookte, of hij wel of niet trainde, of hij wel op tijd kwam, of hij wel of niet meeverdedigde, wat andere spelers van zijn gedrag dachten, wat er in kranten over hem werd geouwehoerd. Maar die mensen begrijpen niets van voetbal.