Bij de lommerd verlies je het toch

Een glimmende stereo-toren staat naast de kop van Joost van den Vondel. Meer dan driehonderd jaar geleden werkte de dichter hier nog als suppoost. Nu leunt een Surinaamse jongen tegen zijn bronzen snor. “Goh, met afstandsbediening en digitaalbewaker”, zegt hij met een keurende blik op het apparaat. De eigenaar, een bleke student, is duidelijk niet op de hoogte van de technische snufjes van zijn eigendom. “Het is toch zonde man, dat ding hier te gaan verpanden”, zegt de Surinaamse jongen. De student haalt zijn schouders op. Wat heb je aan muziek, zegt hij, als je de huur niet kunt betalen?

Een meisje met een vuurrode moutainbike. Een dure meneer met een verrekijker. Op de ijzeren bankjes zit een Turks echtpaar. Zwijgend staren ze naar de trouwringen die ze van hun vingers hebben geschroefd. Dan floept nummer 102 aan. “De ellende hier is het wachten”, zegt een jonge vrouw met holle ogen. In haar handpalm houdt ze twee magere ringetjes. “Veel geven ze niet. Maar het is tenminste eerlijke handel en je hebt gelijk cash”, zegt ze met haar blik op de verspringende nummertjes.

De Amsterdamse 'Stadsbank van Lening' aan de Oudezijds Voorburgwal is na bijna vierhonderd jaar nog steeds een bloeiend bedrijf van de gemeente. Buiten de hoofdstad roept deze vorm van kredietverlening misschien nog beelden op van arme sloebers die klapperend van de kou het theelepeltje van oma komen belenen. Voor de Amsterdammers is 'Ome Jan' weer een belangrijke bondgenoot in de strijd om het bestaan geworden.

“Van de goot tot superdeluxe maakt er gebruik van”, zegt banktaxateur L. Winnips, het vergrootglas nog om zijn nek. Een blozende, beetje verlegen man die duidelijk dol is op zijn werk. “We zijn een sociale instantie die mensen uit de nood helpt”, zegt hij. Vandaag gaf hij ongeveer 800 pandbewijzen uit. Dat is drie keer zoveel als dertien jaar geleden toen hij pas bij de bank kwam. Veel Amsterdammers zijn het van huisuit gewend, vertelt Winnips. Zo heeft hij een ouwe heer die elke maand even zijn stofzuiger komt belenen. Het leeuwedeel van zijn werk bestaat echter uit sieraden. “Veel allochtonen beleggen in goud. In hun landen is het normaal dat je in tijden van krapte beleent.”

Natuurlijk, soms maakt hij ook wel trieste verhalen mee. Zeker met die bezuinigingen de laatste tijd. Dan heb je zo'n vrouw met twee kinderen en een auto vol spullen. Die denkt op deze manier haar hoofd weer boven water te krijgen. Dat valt dus zwaar tegen. Meubels neemt hij niet, antiekwaarde telt niet en bij de beoordeling van de sieraden wordt alleen de "sloopwaarde' van het goud gerekend. Zijn hart krimpt ook wel eens bij zo'n oud echtpaar die hun trouwringen komen afleggen. Hij geeft er honderd gulden voor. “Maar ja, we zijn geen liefdadigheid, we zijn een bedrijf. Goede bedoelingen kun je niet belenen.”

In dit opzicht verschilt Winnips niet van de koppige koopmansopvatting waarmee Amsterdam de bank al eeuwen bestuurt. Officieel werd de lommerd in 1614 opgericht om de armen te beschermen tegen de woekerrente van particulieren. Er werd echter niet over gepiekerd om, zoals de kerk wilde, renteloos leningen aan de armen te geven. De rente die de lommerd over de beleende panden berekende was zelfs hoger dan de officiële rentestand. Dr. W.D. Voorthuysen schrijft in zijn korte geschiedenis van de bank: “Het maken van winst was in de ogen van de stadsbestuurders niet in strijd met de sociale doelstelling van de bank.”

Ook nu ligt de rente nog iets hoger dan het officiële tarief. Nog altijd geldt de inscriptie die in 1548 boven de deur werd gebeiteld: "Geef pand ik geef u geld, waarom zoude ik u borgen? / Of is het niet genoeg dat gy van 't mijne teert?' Onder de deur telt een vrouw telkens opnieuw de zeven tientjes uit die ze nodig had voor haar telefoonrekening. Ze heeft er de broche van haar moeder voor beleend. “Weet je wat het is?”, zegt ze zachtjes. “Als je hier komt heb je toch verloren.”