Aan het begin

In de kathedraal van Sevilla, in een van de kapellen op een steiger, is een jonge vrouw, eigenlijk nog een meisje, een schilderij aan het restaureren. Voorzichtig gaat dat in zijn werk, voorzichtig en vooral erg langzaam. Tientallen potjes verf en geheimzinnige prutjes staan voor haar uitgestald. Ze gaat zo uiterst zorgvuldig het immense doek met kwastjes met zulke kleine, onzichtbare haartjes te lijf, dat ik bijna medelijden met haar krijg. Wat een werk.

Ik zit beneden haar en kan alles goed volgen. Ze merkt me niet op, zo verdiept is ze in haar taak. Ik kijk naar haar en zij kijkt naar het gezicht van een engel, die een troostend woordje fluistert in het oor van Onze Lieve Heer omdat Hij het in de Hof van Olijven zo moeilijk heeft.

Dat meisje lijkt op die engel en die engel lijkt op haar. Het is één gezicht. Er valt een bundel zonlicht door het gebrandschilderde raam over die beide gezichten zodat die samensmelten en ik geen verschil meer zie. De glorie van de lievigheid.

Iemand begint een paar aarzelende akkoorden op een portatief. Even later koorzang. Een motet van de Morales?

Een deur valt dicht. Een stoel wordt over het marmer verschoven. Een meneer met een pikzwarte jurk aan, maar met een witte boord om, knielt vol geroutineerde devotie voor een altaar met goud. (Meegesleept door de conquistadores die het van de oren van de arme Inkamannen en het liefst van hun vrouwen afsneden. Zo word je makkelijk rijk en kun je heel wat kerken opsmukken. Ja ja.)

Daar wil ik nu niet aan denken. Ik kijk liever naar dat voorzichtige meisje boven mij. Stel je voor, denk ik. Stel je voor dat ik weer jong ben. Zo jong als zij. Met datzelfde donkere haar, met diezelfde krullen zoals ik die vroeger had. Dat ik niet zo grijs en uitgezakt was, maar weer kwiek en hanig, vol levenslust. Dat ik geen zorgen kende en nog vrij was. Dat niemand iets van me wilde of de hele dag iets aan me kon vragen. Dat ik nog onbezonnen was en ook zo deed, omdat ik niets wist van verantwoordelijkheid. Dat ik me voortbewoog op mijn gevoel. Op alles wat ik mooi vond. Op alles wat mijn verwondering en bekoring kon opwekken. Wie was meer de baas over me dan ikzelf? Wie was eerlijker tegen mezelf dan ik? Wie luisterde het liefst naar de muziek die ikzelf mooi vond dan ikzelf en wie had er meer een hekel aan zichzelf dan ik wanneer ik in de ogen van mezelf weer eens iets had gezegd of gedaan waar ik mijzelf zo voor moest schamen? De wereld was groot en ruim. Alles was nog verborgen, alles onbekend. Ik trad het leven tegemoet zonder schroom of angst. Zonder pose of opsmuk. Gewoon eerlijk zoals ik was gemaakt en was bedoeld.

Als ik nog jong was, zo jong als dat mooie, bedachtzame meisje boven mij, dan zou ik nu op de een of de andere manier haar aandacht op me hebben gevestigd. Ik zou de stoel naast me kunnen omgooien. De sleutels van mijn hotel hier om de hoek, uit mijn broekzak kunnen laten vallen. Ik zou haar kunnen aanspreken. Haar een compliment kunnen maken. Haar prijzen voor haar toewijding en kunstzin, voor haar durf, de grote meester tegenover haar zo grondig, zo vol liefde voor het nageslacht te bewaren. Ze zou me verbaasd, maar ook blij aankijken omdat ze wat herkende van haarzelf in mij. Ze zou zelfs iets van bewondering kunnen laten merken voor het feit dat hetgeen ze deed niet onopgemerkt was gebleven voor die jonge, onbeholpen slungel, die net als zij met zijn houding niet al te best raad wist. Ze zou uit pure, hartstikke zenuwachtigheid een van haar kleurige potjes verf kunnen omgooien, dat zou precies op mijn witte broek terechtkomen. Kwak. Wat een schrik. Ze zou van het wankele trapje naar beneden komen en voor me op de knieën kunnen vallen, niet om vergeving te vragen natuurlijk, maar om met een schoon doekje, gedrenkt in terpentijn, net zolang over mijn broek te wrijven dat de verf er uit was. (O, die geur van terpentijn.) Ik zou de sleutels van mijn hotelkamer oprapen en haar in mijn armen nemen. Terwijl die trutten van het zangkoor nog aan het kwelen waren bij dat kutportatiefje, zou ze met me meegaan, voor altijd en nooit, nee nooit meer bij me weggaan, omdat ze altijd van me zou houden. Voor altijd, omdat ik nog zo jong was en nog maar aan het begin stond.