Witte jas als symbool van schuldloosheid

Niet lang geleden verscheen een bericht in de krant, dat huisartsen in toenemende mate hebben te lijden onder agressief optreden van hun patiënten. Zo zelfs, dat het moeite kost kandidaten te vinden voor praktijken in bepaalde steden of buurten. De huisarts is bang geworden.

Is de oorzaak van dat probleem nu alleen te vinden in de toegenomen agressie en assertiviteit van de burger? Agressie en assertiviteit zijn immers alom toegenomen, en de huisarts moet soms met mededelingen komen, die agressie kunnen opwekken. Het kan waar zijn, maar eerlijk gezegd geloof ik, dat er nog iets meer aan de hand is. Om over dit probleem iets wezenlijks te zeggen moet men beschikken over een grotere deskundigheid dan de mijne, maar daar staat tegenover, dat deskundigheid soms het zicht kan benemen op simpele waarheden.

Eén van die waarheden is, dat huisartsen vroeger een witte jas droegen en losjes daaroverheen een stethoscoop. Zo worden huisartsen nog wel voorgesteld op platen, die men in de spreekkamer ziet hangen. Maar de hedendaagse huisarts houdt zijn spreekuur en doet zijn patiënten-ronde in spijkerbroek en coltrui, of elke andere kleding die hem prettig zit. Anders is dat in de ziekenhuizen. Daar ziet men de artsen nog dagelijks in witte jassen rondlopen. Weliswaar hangen die veelal open, maar toch!

Iedereen ziet: daar loopt een dokter. Het verdient opmerking, dat ik in de hiervoor bedoelde kranteberichten niets heb gelezen over agressie tegen artsen in ziekenhuizen, terwijl toch in ziekenhuizen soms grotere emoties dan in een huisartsenpraktijk kunnen optreden.

Mijn eerste vraag is daarom niet, waar die agressie vandaan komt, maar: waarom hebben huisartsen ooit besloten hun witte jas uit te trekken. Daar is - geloof ik - nooit een discussie over gevoerd, en in elk geval heb ik daarvoor nog nooit een overtuigend argument vernomen.

Ook in de rechterlijke macht hoort men af en toe geluiden, die pleiten voor afschaffing van de toga. Zo kan ik mij heel goed voorstellen, dat kinderrechters bij zittingen die moeten leiden tot de ondertoezichtstelling van een minderjarige de toga als niet-functioneel kledingstuk uit laten. En in de bestuursrechtsectoren van de rechtbanken wordt de toga minder automatisch gedragen dan in de civiele of strafrechtsectoren.

Men kan zich dan ook afvragen of het zinvol is, dat de rechter in een gedemocratiseerde samenleving als de onze, waar de onderlinge gelijkheid en gelijkwaardigheid als een hoog goed wordt geprezen, zijn toga blijft dragen. Waarom draagt de rechter nog steeds zijn toga?

Het traditionele antwoord is, dat de toga de depersonificatie van de rechter ten gevolge heeft. Hij is, gehuld in zijn toga, niet langer de privé-persoon, die hij tevoren was. Aan die metamorfose heeft hij behoefte, omdat het niet normaal is dat de ene burger de andere burger in de gevangenis stopt. Er moet dus een symbool zijn, waardoor men afstand neemt van het mede-burger zijn. Een bijkomend voordeel is, dat de herkenbaarheid van rechters door het dragen van de toga vermindert. Het gaat niet om de persoon van de rechter, het gaat om zijn ambt, om zijn staatsrechtelijke functie. De toga accentueert de overheidstaak die de rechter vervult.

Daar staat tegenover dat de toga in de weg kan staan aan een open communicatie tussen rechter en rechtzoekende. Het behoort echter tot de vaktechniek van de rechter, die kloof te overbruggen. Het overwicht dat de toga verschaft, behoeft, naar de ervaring leert, geenszins in de weg te staan aan een behandeling van de zaak, die de rechtzoekende het gevoel geeft niet slechts tot zijn rechter, maar ook tot zijn recht te zijn gekomen.

Als tweede argument voor het dragen van de toga kan men aanvoeren, dat de burger die zich voor een rechter moet verantwoorden, zich bloot moet geven, zich van zijn kwetsbare zijde moet laten zien. Zoals ook de patiënt dat moet doen tegenover de dokter. De patiënt moet zijn hempje uittrekken, de dokter houdt het zijne aan. Aldus voelt ook de rechtzoekende zich op een lager niveau geplaatst dan de rechter, die in de professionele relatie macht over hem heeft.

Het wordt de burger gemakkelijker gemaakt als hij tegen de rechter kan opzien. De toga voorziet in die behoefte. De rechtzoekende kan zichzelf gelijk blijven en behoeft zich niet verlaagd te voelen, indien en zodra hij de rechter op een voetstuk kan plaatsen. Ziedaar een functie van de toga, en trouwens ook van het podium in de zittingzaal.

Het meest bijzondere argument om de toga te dragen ontleen ik aan de helaas te jong overleden F.O. van Gennep, destijds hoogleraar in de homiletiek aan de Leidse Universiteit. Hij verwees daarvoor naar de gelijkenis van de overspelige vrouw (Joh. 7:53 - 8:11). Het verhaal is overbekend. De schriftgeleerden en farizeeën brachten een overspelige vrouw voor Christus. Zij vroegen Hem, wat hun te doen stond, nu de wet van Mozes hun immers beval overspelige vrouwen te stenigen. Het antwoord van Christus luidde: “Wie van U zonder zonde is, werpe het eerst een steen naar haar.”

Dit antwoord betekent, dat men slechts dan mag oordelen in de zin van veroordelen, als men vrij is van zonde. De mens is dat niet, zodat hem de mogelijkheid tot oordelen, en daarmee ook tot rechtspreken ontbreekt. In die visie - aldus Van Gennep - dient de toga tot symbool van schuldloosheid. Een bijzondere en waardevolle gedachte.

Als men wil aannemen, dat ook artsen oordelen over mensen en hen soms moeten veroordelen, dan vraag ik mij af, of de Landelijke Huisartsen Vereniging er niet wijs aan zou doen, te overwegen de doktersjas met stethoscoop weer in te voeren. Agressie richt zich wellicht niet zo snel tegen een schuldeloze.