Studies wijzen uit: het kan vriezen of dooien

Het klimaat op aarde is de afgelopen 250.000 jaar aan veel grilligere en hevigere schommelingen onderhevig geweest dan tot nu toe werd aangenomen. Dat blijkt uit twee studies aan ijslagen in Groenland die deze week in het tijdschrift Nature zijn gepubliceerd.

Sinds het aflopen van de laatste ijstijd, circa 10.000 jaar geleden, bevindt de aarde zich in een zogeheten "interglaciaal', een periode tussen twee ijstijden in. Sinds de opwarmingsfase is het klimaat daarna vrij constant gebleven. Tot nu toe ging men ervan uit dat die stabiele toestand normaal was voor een interglaciaal. Maar uit de nu gepubliceerde studies blijkt dat de afgelopen 10.000 jaar, vergeleken met andere interglacialen in de afgelopen 250.000 jaar, zeer uitzonderlijk zijn.

Een groep van de Britse Antarctic Survey in Cambridge onder leiding van David A. Peel heeft op grond van boringen in de ijskap van Groenland vastgesteld dat tijdens het voorlaatste interglaciaal perioden van plotselinge zeer sterke afkoeling zeer veelvuldig voorkwamen.

De andere studie, uitgevoerd door W. Dansgaard van het Niels Bohr Instituut van de Universiteit van Kopenhagen, bevestigt dit beeld. Aan de hand van isotopen-verhoudingen blijkt dat een instabiel klimaat eerder norm dan uitzondering was. Zo daalde in één geval de gemiddelde temperatuur op het hoogtepunt van het interglaciaal zelfs in één keer met maar liefst 14 graden Celsius tot waarden typerend voor een ijstijd om daar voor een periode van 70 jaar te blijven.

Implicatie van de beide onderzoeken is, dat de kans op de plotselinge intrede van een nieuwe koudeperiode veel groter kan zijn dan tot nu toe is aangenomen. Dat zou betekenen dat er behalve de kans op een zeer geleidelijke opwarming als gevolg van het broeikaseffect ook een risico bestaat van plotselinge en extra heftige afkoeling voor een periode van tientallen of honderden jaren.