Recessie en chaos duwen vakbeweging in defensief

Sinds de beëindiging van de Koude Oorlog drukt in veel landen een neo-liberale verharding van de sociale en economische politiek de vakbeweging in het defensief. Hoe vergaat het de internationale vakbeweging? Laatste deel van een serie.

Meer dan 130 miljoen leden in de hele wereld. Dan moet de internationale vakbeweging toch een behoorlijke vuist kunnen maken, zou men denken. Maar Eddy Laurijssen, tweede secretaris van het Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen (IVVV), zegt “heel erg bezorgd” te zijn.

Vier jaar geleden zag het er allemaal “zo bemoedigend” uit, vertelt de Belg die tevens directeur is van de Geneefse dependance van de organisatie die 150 vakcentrales uit 108 landen overkoepelt. In Europa was de Muur gevallen, in Afrika braken meerpartijenstelsels door, in Latijns Amerika verdwenen dictaturen en in Zuid-Afrika werd Mandela vrijgelaten. “We waren erg optimistisch gestemd. Er leek zich een nieuwe wereld voor de onafhankelijke vakbeweging te openen.”

De actuele werkelijkheid vervult hem echter met zorgen. In Midden- en Oost-Europa heerst chaos. In Afrika en Latijns Amerika stokt de democratisering. En de rijke landen kreunen onder een economische crisis die daar inmiddels niet alleen heeft geleid tot meer dan 40 miljoen werklozen, maar ook tot een bijkans tandeloze vakbeweging. “We hebben misschien te vroeg victorie gekraaid”, evalueert Laurijssen.

Het IVVV is een kind van de Koude Oorlog. Het ontstond in 1949, toen sociaal-democratisch georiënteerde vakcentrales zich afsplitsten van het communistische Wereld Vakverbond (WVV). Het IVVV nestelde zich naast de in 1920 door christelijke vakcentrales opgerichte, maar in omvang aanzienlijk kleinere Wereldverbond van de Arbeid (WVA) en stemde zijn ideologische kompas bijna veertig jaar lang in belangrijke mate af op het WVV. Sinds die tegenpool zich met de val van de Muur goeddeels heeft opgelost, mag het IVVV bewijzen dat de aangesloten vakcentrales méér met elkaar gemeen hebben dan dat zij nèt door communistische regimes of partijen werden beheerst.

Het werk van IVVV (110 miljoen leden) en WVA (20 miljoen) is tweeledig. Ze lobbyen voor het belang van de "sociale dimensie', onder meer als gesprekspartner van instellingen als het Internationale Monetaire Fonds (IMF), de Wereldbank en de Algemene overeenkomst inzake handel en tarieven (GATT) en als permanent vertegenwoordiger in de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO).

Daarnaast ondersteunen ze de (opbouw van) nationale vakbonden en staan ze op de bres voor vrijheid van vereniging en vrijheid van collectief onderhandelen (over arbeidsvoorwaarden). Die missie valt zwaar, want in een groot aantal landen zijn zulke vrijheden niet vanzelfsprekend en wacht de pleitbezorgers van vakbondsrechten intimidatie, ontslag, arrestatie, marteling of zelfs executie en moord.

Elk jaar legt het IVVV een triestmakende lijst aan van inbreuken. De rapportage over 1992 telt honderd pagina's. Ze verhaalt over schendingen in 87 landen, waaronder 260 vermoorde en 2.500 gearresteerde vakbondsvertegenwoordigers, maar ook gevallen van kinderarbeid, discriminatie, inferieure beloning en miserabele arbeidsomstandigheden. De top-tien van de "meest gevaarlijke' landen bestaat uit Zuid-Afrika, Birma, China, Colombia, El Salvador, Guatemala, Iran, Malawi, Peru en Soedan.

Laurijssen bespeurt sinds de beëindiging van de Koude Oorlog in veel landen “een neo-liberale verharding van de sociale en economische politiek”, die de vakbeweging in het defensief drukt, niet alleen in het rijke Noorden, maar ook in de Derde Wereld. “Met de top van de Wereldbank en het IMF hebben we een positieve dialoog over de samenhang tussen economische en sociale ontwikkeling. Maar er gaapt een diepe kloof tussen de top van die instellingen en hun bureaucratische apparaat, want als je ziet welke voorwaarden ze in concrete hulpprogramma's opnemen, dan komen die er dikwijls op neer dat ze regeringen ontmoedigen om met de vakbeweging te overleggen uit vrees dat die zich zal verzetten tegen ontmanteling van de publieke sector, die in ontwikkelingslanden vaak nog enige structuur heeft.”

Pag 14: "Namens wie spreekt u eigenlijk?'

Als de nationale vakbeweging in de verdediging zit, dan geldt dat ook voor de internationale activiteiten. De vakbondsinternationales ondervinden dat in de Internationale Arbeidsorganisatie, het enige tripartiete orgaan dat de Verenigde Naties hebben. Door de IAO zijn in de loop der tijd vele verdragen opgesteld (met bijbehorend toezicht op de naleving ervan) die een zekere normering van de internationale sociale verhoudingen beogen. Ze gaan over minimum-normen en rechten, zoals het recht om collectief te onderhandelen, het recht op gelijke beloning van mannen en vrouwen en het recht om niet gediscrimineerd te worden. Zo kreeg ook Nederland het met de IAO aan de stok omdat in nogal wat regelgeving op sociaal terrein geen "gelijke behandeling' zat. De Nederlandse wet die de minister van sociale zaken machtigt tot ingrijpen in hem onwelgevallige CAO's in de zorgsector kon evenmin door de IAO-beugel.

De positie van de IAO ligt echter onder vuur, zegt Laurijssen. Enkele jaren geleden waren werkgevers en overheden in IAO-verband vaak nog wel te porren voor een stevige reprimande. Want als men een communistisch regime op de vingers tikte, wat de IAO frequent deed, omdat er geen vrijheid van vakvereniging was, dan kon men bezwaarlijk gedogen dat een industrieland of een niet-communistisch ontwikkelingsland hetzelfde deed of een ander IAO-verdrag negeerde.

Maar sinds de communistische regimes in Oost-Europa zijn gevallen, hapert de tripartiete bestraffing. “Er is een stevige campagne op gang gekomen van neo-liberale regeringen en werkgevers om het normeringswerk van de IAO af te zwakken. Zij vinden nu dat er al genoeg regels en verplichtingen zijn. Ze willen deregulering, meer flexibiliteit en meer markt, en ze verlangen daarbij onze medewerking.”

Deze verzwakking wordt nog versterkt door de opstelling van sommige ontwikkelingslanden, die een paradoxale situatie schept. Enerzijds maken de vakbondsinternationales zich binnen de IAO sterk voor uitbreiding van de normen (bij voorbeeld met conventies over veiligheid in de mijnbouw en over dwangarbeid door gevangenen), omdat ze vinden dat er nog veel sociale wantoestanden heersen die niet met het bestaande arsenaal aan IAO-verdragen kunnen worden aangepakt. En tegelijkertijd ondermijnen verschillende landen, inclusief hun nationale vakcentrales, het universele karakter van reeds bestaande IAO-normen door weinig respect aan de dag te leggen voor elementaire vakbondsrechten en het "casino-kapitalisme' geen strobreed in de weg te leggen.

In zekere zin heeft de internationale vakbeweging dit zelf in de hand gewerkt, zegt beleidsmedewerker internationale zaken drs. T. Etty van de vakcentrale FNV die is aangesloten bij het IVVV. Volgens hem had de vakbondsinternationale best wat kieskeuriger mogen zijn bij het toelaten van vakcentrales. Bij voorbeeld uit Afrikaanse landen. “Ten tijde van de Koude Oorlog keerden ze zich in de allerfelste bewoordingen tegen het IVVV, terwijl ze de afgelopen jaren een enorme aandrang op hetzelfde IVVV hebben uitgeoefend om lid te kunnen worden, wat ook gelukt is. Zonder stevige discussie over de voorgeschiedenis. Het was volgens mij niet verkeerd geweest als bij hun toelating zorgvuldiger was gekeken naar hun onafhankelijkheid en democratische gezindheid.”

FNV-voorzitter J. Stekelenburg heeft al eens op het risico gewezen van een IVVV dat zich ontwikkelt in de richting van een "verenigde naties van de vakbeweging': iedereen is er lid van, maar er zit kraak noch smaak aan en de eigen identiteit is onherkenbaar. Wat dat betreft heeft de vakbondsinternationale met haar Afrika-beleid volgens Etty ook een kans gemist om zittende IVVV-leden een spiegel voor te houden en duidelijk te maken aan welke maatstaven ze zouden moeten voldoen.

Met name in Azië had dat tot enige zelfreiniging kunnen leiden, want het valt volgens Etty moeilijk vol te houden dat bij voorbeeld in Korea, Singapore en Taiwan sprake is van vrije onafhankelijke vakcentrales, ofschoon die wel zijn aangesloten bij het IVVV. “Singapore biedt hèt schoolvoorbeeld van een volledig gelijkgeschakelde vakbeweging.”

Beter te spreken is de FNV-medewerker over de rem die het IVVV heeft gezet op de toelating van vakcentrales uit Midden- en Oost-Europa. Zo maken ijlings getransformeerde eenheidsvakcentrales die in hun vorige gedaante aan de leiband van een communistisch bewind liepen, geen kans op toetreding, al was het alleen maar omdat de binnen het IVVV invloedrijke Amerikaanse AFL/CIO - met bijna 14 miljoen leden de grootste vakcentrale ter wereld - daarover zijn veto heeft uitgesproken. Alleen Solidarnosc (Polen), CKOS (Tsjechië), Fratia (Roemenië) en Podkrepa (Bulgarije) zijn tot dusver door het IVVV "goedgekeurd'.

Behalve een geloofwaardige recrutering van nieuwe leden, zijn voor de nabije toekomst van de internationale vakbeweging volgens Etty twee zaken van cruciaal belang: werkgelegenheid en representativiteit. De oplopende werkloosheid in de rijke landen, holt de toch al niet florissante positie van de vakbondsinternationales uit, temeer daar uit die hoek ook de meeste contributies komen. En in de snelgroeiende informele sector in de rest van de wereld stelt de vakbeweging hoegenaamd niets voor. Etty: “Als de vakbeweging er niet in slaagt vóór en mèt die mensen iets te regelen, krijgt het IVVV in internationale fora steeds vaker de vraag voorgelegd: "Namens wie spreekt u eigenlijk ?' Dat doet afbreuk, en dan doet het er niet zoveel toe of je kunt bogen op 100 of op 200 miljoen leden”.