Nogmaals In 't Veld

DE POLITIEKE KATER is inmiddels verwerkt. Als politieke affaire vervaagt de naam In 't Veld tot een stipje. Alles is zo ongeveer gezegd en de politiek blijft nu eenmaal een grillig bedrijf waar de opwinding van gisteren met de spanning van morgen maar weinig van doen heeft. Toch is dat jammer, want er valt wat van te leren. Niet zozeer in termen van politiek management en behoorlijk bestuur, aan beide heeft het weliswaar schromelijk ontbroken, maar die dingen gebeuren en de ene bewindsman of partij is daar beter in dan de andere. De PvdA zit in de hoek waar de klappen vallen en dan zijn goede reflexen schaars en richten slechte reflexen meteen uitvergrote schade aan.

Nee, de zaak leert eerder iets over de samenleving zelf.

Aan de ene kant een bestuurskundige die volgens het moderne beleid van universiteiten handelt. Hij boort overeenkomstig de wensen van het ministerie en het parlement de derde geldstroom aan, laat dat ten gunste komen van zijn vakgroep en houdt er - keurig volgens de regels - ook zelf wat aan over. Dit is niet alleen legaal, maar het is zelfs modern, want alleen op deze manier kunnen universiteiten steeds meer studenten verwerken en dat officiële politieke doel combineren met het andere politieke doel, namelijk met relatief steeds minder geld overleven.

Aan de andere kant is er een kennelijk ongemak dat het zo gaat, dat het zo moet. Dat de onafhankelijke dragers van de toga zich hebben ontpopt als zakenlieden, die weten hoe een besloten vennootschap wordt opgezet, hoe je klanten aantrekt en hoe je een verkooppraatje houdt. Oude geleerden als Drion en Köbben hebben in deze krant in ingezonden brieven met knorrige zindelijkheid hun bliksemschichten geslingerd naar dit moderne type hoogleraar. Het stuit hun als een verwording van het ambt tegen de borst, als een soort zedenverwildering. Natuurlijk, vroeger deden professoren ook weleens iets buiten de deur, maar in een tijd dat regenten nog onder elkaar waren, hoefde dat niet tot een stijlbreuk te leiden. Iemand was professor en dat maakte van al het overige een detail. Professor was een sacraal ambt, niet een "asset' om geldbronnen af te tappen.

DE POLITIEK IS in verlegenheid. Enerzijds dus een beleid dat op ondernemend hoogleraarschap mikt, anderzijds een ongemak met een politiek die daartoe leidt. De meningen blijven intussen ook scherp tegenover elkaar staan. De ene groep vindt dat het professoraat à la In 't Veld wenselijk en nodig is om de universiteit de privaat-publieke functie te laten vervullen die van een universiteit wordt verwacht, de andere wil scherpere scheidslijnen tussen het een en het ander.

Maar waarom dan dat ongemak? Met In 't Veld als staatssecretaris had de politiek het onderwerp vrijelijk kunnen bespreken. Zijn manier van werken en die van zijn collega's is immers geen ethische keuze geweest, maar een praktische. Ethiek was helemaal niet in het geding en het is een veel te groot woord voor een discussie over werkafspraken.

Of schuilt daar precies het ongemak? Is de zaak als incident niet juist symbolisch voor een diepere onzekerheid over vragen van pragmatisme en ethiek? Symbolisch misschien ook voor de botsing tussen de jaren tachtig en de jaren negentig? Wie om zich heen kijkt, ziet dat dit type discussie bepaald niet exclusief voor Nederland is. En ook niet exclusief voor de politiek. In het bankwezen worden overal nieuwe gedragsregels opgesteld, soms omdat een bestuurder geen gevoel voor prudente zelfbescherming heeft, soms ook gewoon omdat de zeden en de regels zijn veranderd en het natuurlijke zelfvertrouwen ontbreekt. In Amerika is het aan de orde, in Frankrijk en in Duitsland, waar kleinere en grotere openbare bestuurders recentelijk over terechte en over onzinnige zaken zijn gestruikeld. Overal valt iets te merken van een collectief chagrijn over de collectieve mores. Het is het gevoel in een samenleving verzeild geraakt te zijn waar niemand precies weet welke regels op grond van welke overwegingen nog precieze naleving verlangen. Een samenleving die volgens het moderne jaren-tachtig-jargon hier te lande werd aangeduid met de naam “BV Nederland”.

NAAR AANLEIDING VAN de discussie erover in Duitsland schreef het liberale weekblad Die Zeit onlangs: “Nieuwe uitdagingen kan deze samenleving alleen aan, wanneer zij afscheid neemt van het egocentrisme van de laatste kwart eeuw - van de moralistische zelfgenoegzaamheid van de '68-rebellen net zo goed als van de amorele zelfzuchtigheid van de jaren-tachtig-yuppies.”

Roel in 't Veld verdedigt zich in vraaggesprekken tegen de aantasting van zijn goede naam. Dat is terecht en begrijpelijk, want hem valt wis en waarachtig niets te verwijten. Anderzijds moet iemand die politieke ambities heeft niet klagen dat hij ingepakt wordt in symboliek. Zo definieert het politieke debat zich en dat is redelijk. Misschien is hij in politiek opzicht dan ook simpelweg het slachtoffer van een gevoel. Van een gevoel van ongemak over vooruitgang die slechts te vatten is in de term van “BV Nederland”.

Des te ergerlijker blijft het overigens dat de discussie in een paar onthullingen, een paar dagen politiek theater en in grote stilte is gesmoord. De politiek heeft met de term “maatvoering” als een Orakel van Delphi gesproken - einde verhaal.

Leerzaam zou het zijn om precies te weten waar en bij wie welke overwegingen een rol hebben gespeeld, hoe het zit met “maatvoering”. Dat menigeen onhandig heeft geopereerd, is begrijpelijkerwijze reden voor stilzwijgen. Maar daar staat tegenover dat er veel te leren valt. Niet omdat er concrete handleidingen uit tevoorschijn komen, maar omdat iedereen puzzelt over de vraag: Wat dan?