“Ik moet nu weer een normale burger worden. Dat wordt afkicken.”; “Het zijn amateurs, die nieuwe lichting professionals.”; “Ik werd verrast door dat triathlonstuur van Greg Lemond.”

Aan het einde van het seizoen verliest de wielersport een opmerkelijke kampioen. De 32-jarige LAURENT FIGNON zet een punt achter zijn mooie loopbaan. De Franse routinier was een van de weinige renners die nog het charisma van een vedette heeft.

Hij is vaak sjagrijnig. En onberekenbaar. Journalisten die hem opzoeken doen er goed aan een helm op te zetten, zo gniffelt men in de Tourkaravaan, want hij gebruikt zijn vuisten als een vraag hem niet aanstaat. Aan de finish heeft hij ooit meppen en schoppen uitgedeeld. Een te opdringerige cameraman of een fotograaf die zijn leed wilde vastleggen was dan het slachtoffer. Of een enthousiaste handtekeningenjager, die brutaal over het hek was geklommen. Voor Laurent Fignon moet je oppassen.

Hotel Le Parc in Briancon, afgelopen donderdag. Het is de avond voor zijn Touropgave - op weg naar Isola 2000 zal hij last krijgen van hevige krampaanvallen en ondraaglijke pijn aan zijn rechterknie. “Verder fietsen was zinloos”, zei hij achteraf, “want ik zou te laat zijn binnengekomen en uit de strijd zijn genomen.”. Fignon ligt in Le Parc op de massagetafel. Ontspannen. En vriendelijk. Grote felle blauwe ogen achter een brilletje, een paardestaart. “Vraag maar op”, roept hij vrolijk tegen zijn Hollandse bezoek.

Heeft U het moeilijk met de nieuwe generatie wielrenners?

“Ja. Het zijn andere types”, meent Fignon, “ze hebben afwijkende ideeën over onze sport. Ze rijden bijvoorbeeld veel berekenender dan de oude garde. Ik heb daar uitgebreid over gepraat met Tony Rominger en Stephen Roche, jongens van mijn leeftijd. Alle drie concludeerden we dat bij de jeugd het respect weg is voor de bestaande tradities, voor de ongeschreven wetten. Na de bevoorrading gunnen ze je niet eens de tijd je eetzakje leeg te maken, ze demarreren. Datzelfde doen ze bij een massale pispauze. Er is sprake van een toenemende anarchie in het peloton. Ze doen maar. Vanaf de start vliegen ze er meteen keihard in. Amateurs, monsieur, het zijn net amateurs, die nieuwe lichting profs.”

De eigenzinnige Fignon mag meer vijanden dan vrienden hebben, zijn persoonlijkheid en aanvalslust voegden een extra dimensie toe aan het wielrennen en de Tour in het bijzonder. De Parijzenaar is een van de weinige renners die nog de uitstraling van een vedette heeft. Hij vindt dat zelf óók en hij betreurt het zeer dat er niet méér zijn. De veteraan stelt vast dat het peloton alsmaar kleurlozer wordt. “Noem me een jongen met karakter”, vraagt hij, “eentje die nog durft te attaqueren. Miguel Indurain? Een pure verdediger. Claudio Chiappucci. Zeker, maar die is net als Indurain slechts een jaar of drie jaar jonger dan ik! Alex Zülle? Misschien, we moeten het nog afwachten, ik ken die Zwitser niet zo goed. Lance Armstrong, ja die heeft het wel. Die ging zondag nog fantastisch te keer, in die sprint in Verdun. Hij is net zo heerlijk onbevangen als zijn landgenoot Greg LeMond. Van dat soort zijn er maar heel weinig.”

De naam LeMond is gevallen. Fignon moet nachtmerries hebben overgehouden aan de pijnlijke nederlaag, die hij in de Tour van 1989 tegen de Amerikaan leed. In de slottijdrit naar de Champs Elysées verspeelde de Fransman zijn gele trui aan LeMond, die hem acht seconden vóór bleef in het algemeen klassement. “Ik was aanvankelijk natuurlijk kapot”, erkent Fignon, “toch zijn we na afloop met de ploeg in Parijs lekker gaan doorzakken. De hele nacht door. Want ondanks alles was mijn Tour geslaagd. Al had ik moeten winnen. Ik heb me laten verrassen. Door het triathlonstuur dat LeMond hanteerde. Het was, zover ik wist, volgens de reglementen verboden, anders had ik het zeker ook gebruikt. De wedstrijdcommissarissen grepen tot mijn grote verbazing niet in. Veel ernstiger was mijn tweede vergissing. Ik ging ervan uit dat de kleine minuut die ik vóór stond op LeMond voldoende was voor de hoofdprijs. Achteraf gezien had ik in de laatste cols méér afstand van hem moeten nemen, daar was ik toen sterk genoeg voor. Dat was waarschijnlijk de grootste fout van mijn leven, van mijn wielerleven bedoel ik dan.”

Twee keer triomfeerde Fignon in de Tour. Als “jong broekje” in 1983, toen de tweedejaars prof bij Renault het kopmanschap moest overnemen van de geblesseerde Bernard Hinault, en in 1984. “Nadien”, vertelt Fignon, “had ik nog zeker drie maal eerste kunnen worden. Met name in 1989, maar ook twee jaar later nog. En eerder in de jaren tachtig natuurlijk. Dan had ik beroemdheden Eddy Merckx en Bernard Hinault geëvenaard. Maar - laat ik eerlijk zijn - die waren zo superieur dat ze wel wel acht keer op het hoogste erepodium kunnen staan, als ze ten minste vrij van letsels waren gebleven. In dat opzicht heb ook ik mijn portie gehad. U weet vast nog wel dat de seizoenen '85 en '86 nagenoeg verloren gingen als gevolg van een operatie aan mijn achillespees, die een lange nasleep had.”

Topsport kan een zware tol eisen. Maar wanneer ik opmerk dat topsport ongezond is, ontvlamt Fignon. Hij duwt zijn masseur opzij, veegt een handdoek van zijn blote lichaam en roept: “Wat ongezond? Kijk naar mijn body, ziet die er ongezond uit? Zien Merckx, Hinault, Joop Zoetemelk, Miguel Indurain en zo veel andere kampioenen er slecht uit? Schei toch uit, een professionele wielrenner is veel fitter dan de gemiddelde burger. We hebben een gezond beroep, daar heb ik nooit aan getwijfeld.” Tweeëndertig jaar is Fignon, nu hij een punt achter zijn prachtige carrière zet. Voor het eerst kwam hij uitgebreid in beeld in het najaar van 1980. Hij leek op weg naar zijn eerste grote overwinning bij de “broodfietsers”. In het zicht van de eindstreep van de Grote Herfstprijs brak zijn trapper, waarna hij met een spectaculaire salto tegen het wegdek smakte en de Belg Jean-Luc Vandenbroucke kon zegevieren. Hij was toen nog een knechtje - de laatste twee jaar was hij weer helper, al wil hij van dat woord niet horen. “Bij Gatorade”, zegt hij, “heb ik een vrije rol bedongen. Ik mag mijn eigen gang gaan. Als het nodig is of het zo uitkomt reik ik kopman Gianni Bugno de helpende hand.”

De samenwerking tussen Bugno en Fignon, die in 1992 zijn laatste Touretappe won, verloopt niet geheel vlekkeloos. De karakters botsen. De zwijgende binnenvetter Bugno heeft een ijzersterk lichaam, maar is geestelijk uiterst kwetsbaar. “Het is bij hem een kwestie van zelfvertrouwen”, zegt Fignon, die van zijn hart nooit een moordkuil maakt. “Gianni kijkt altijd op tegen de anderen, van wie hij denkt dat ze meer in huis hebben dan hijzelf. Een verkeerde instelling voor een campionissimo.” Bugno is bovendien niet superslim, hetgeen de bijzonder intelligente Fignon - hij studeerde een blauwe maandag aan de Sorbonne in Parijs - wel eens stoort. Maar de kruiwagens vol Italiaanse lires bij de Italiaanse sponsor maken veel goed.

Toch weigert Fignon zichzelf te omschrijven als “een geldwolf”. Hij geeft echter wel toe dat hij “heel veel” heeft verdiend en dat hij daar ook heel blij mee is. De veelvoudige miljonair zegt uit te zien naar het moment dat zijn fiets definitief in het schuurtje verdwijnt. “Daarna”, vertelt hij, “ga ik eens een jaar rust nemen. Dertien seizoenen lang ben ik van hotel naar hotel gegaan, van wedstrijd naar wedstrijd, van massagetafel naar massagetafel. Een buitengewoon vreemd leven. Ik wil me eerst aan mijn vrouw gaan wijden, aan onze twee kinderen. Hun die aandacht geven die ze zo lang tekort zijn gekomen. Ik zal moeten leren weer een normale burger te worden. Dat wordt dus afkicken. Ben ik eenmaal zo ver, dan zoek ik een job. Misschien iets in de wielersport, want ik behoud de contacten met ploegleider Stanga van Gatorade. Maar niks is al helemaal zeker.”

De laatste Franse kampioen met charisma stapt af. En dat in een periode dat het cyclisme in zijn land in een diep dal zit. Weinig sponsors, geen nieuwe talenten en geen enkel succes in de eigen populaire Tour. De reden? Het is Fignon al duizend keer gevraagd, zegt hij. Hij heeft erover gepiekerd. “Ik weet het niet, ik weet het echt niet”, is zijn antwoord. “Ik hoop dat het louter toeval is, dat er snel weer betere tijden komen.”