Het kwaad van de scheiding is voor sommige kinderen zo kwaad niet

In zijn openingsbijdrage aan de reeks "Gezin op drift' constateerde Maarten Huygen twee weken geleden hoe het Amerikaanse gezin razendsnel wordt ontmanteld. Echtscheiding, ongehuwd moederschap en kinderen die praktisch zonder hun ouders opgroeien zijn al lang niet meer exclusief voor het getto. Ook in de betere blanke buitenwijken openbaren zich de gevolgen van de individualisering van de jaren zestig en zeventig. Jeugdbendes zijn een populair alternatief geworden voor een avondje met de familie; 13-jarige moeders en stijgende misdaadcijfers zijn maar enkele symptomen van de sociale chaos. Scholen en overheden proberen amechtig het netwerk in stand te houden, maar verspreiden tegelijk de zegeningen van de moderne "ieder-voor-zich' samenleving. In het gezin gelooft zowat niemand meer.

In deze tweede bijdrage buigt ook Rita Kohnstamm zich over de problematiek van het gezin als hoeksteen van de samenleving. Ze las het artikel "Dan Quayle was right' van Barbara Dafoe Whitehead en onderwierp dit hartstochtelijke pleidooi voor het complete gezin aan een nader onderzoek: echtscheiding zou wel wat moeilijker mogen worden, maar vaak is het ook voor de kinderen de beste van twee kwaden.

Als in een progressief, liberaal tijdschrift een artikel verschijnt onder de titel "Dan Quayle was right' maakt dat nieuwsgierig. Het betrof hier de opvattingen van de voormalige vice-president over de waarde van het volledige gezin als hoeksteen van de samenleving. Progressief Amerika reageerde honend, maar niet de auteur van het betreffende artikel, Barbara Dafoe Whitehead in The Atlantic Monthly. Omdat iemand die durft in te gaan tegen de opvattingen die in eigen kring bon ton zijn altijd mijn onmiddellijke sympathie heeft, gaf ik haar op voorhand veel krediet, maar al tijdens het lezen kwamen naast instemming mijn bedenkingen omhoog tegen haar kritiek op echtscheiding en buitenechtelijke moederschap.

Laat ik proberen de strekking van haar betoog kort weer te geven. Halverwege de jaren zestig is het begonnen met de ideologie van de zelfontplooiing en het recht op vrije keuze van moment tot moment. Het volhouden van een ongelukkig of saai huwelijk bleek in strijd met opkomen voor jezelf. Afzien van het moederschap, omdat je niet bijtijds de juiste man gevonden had eveneens. En het is zeker waar dat veel volwassenen er door die wat meer zelfzuchtige instelling emotioneel op vooruit zijn gegaan.

Het is misschien niet toevallig dat juist in Amerika het optimisme groot was over de nieuwe intermenselijke verhoudingen die hierdoor zouden ontstaan en die ten goede zouden komen aan een werkelijk democratische samenleving: er werden parallellen getrokken met het ontstaan van het land zelf. Het traditionele gezin als metafoor voor het verfoeide verleden met machtsmisbruik en onderdrukking van individuele vrijheid. Het opbreken van zo'n verziekt leefverband is in deze vergelijking zoiets als het verlaten van het oude tyrannieke Europa en het onbelast opnieuw beginnen in de Nieuwe Wereld. De van oorsprong politieke waarden van individuele rechten, persoonlijke keuzevrijheid en gelijkwaardige verhoudingen werden daarmee ook tot waarden in sociale relaties verklaard. Dat had ingrijpende gevolgen voor het gezin.

De auteur geeft enkele voorbeelden van teksten van wenskaarten die in omloop zijn met het thema van echtscheiding als bevrijding: ""Think of your former marriage as a record album. It was full of music - both happy and sad. But what is important now is... YOU!''

Een eindje verderop in de winkel staan de kaarten voor de kinderen en die zijn minder optimistisch van toon: ""I'm sorry I'm not always there when you need me, but you know I'm always just a phone call away.'' Volwassenen voelen wel dat wat voor henzelf emotionele winst betekent, voor de kinderen verlies is. Het ongemakkelijke gevoel hierover wordt gesust met de gedachte dat leven met ruzieënde ouders toch ook slecht voor hen is, maar afdoende is die relativering niet. Vandaar de talrijke voorlichtende kinderboeken waarin begrip gevraagd wordt voor de echtscheiding en vooral ook medewerking. ""Living with one parent almost always means there will be less money. Be prepared to give up some things.'' Of als een van de ouders een vriend of vriendin krijgt: ""You may sometimes feel jealous and want your parent for yourself. Be polite to your parents' new friends, even if you do not like them at first.''

Met andere woorden: de rollen zijn volledig omgedraaid. Niet de ouder, maar het kind moet de wijste zijn.

Dat is eigenlijk ook de kern van het betoog van Barbara Dafoe: hoe het mogelijk is dat de oude norm dat ouders vóór alles het welzijn van hun kinderen behoren te verdedigen is verdwenen en dat zij integendeel hun eigen individuele welzijn najagend alleen maar kunnen hopen dat hun kinderen daar het beste van zullen maken. Zij hebben recht op echtscheiding of alleenstaand moederschap. ""Wat ooit gezien werd als strijdig met het belang van het kind, gold nu als een fundamentele voorwaarde voor het geluk van de volwassene.'' Kinderen moeten daar maar mee zien te leven. Uit psychologisch onderzoek dat nu een generatie kinderen tot in de volwassenheid heeft kunnen volgen, blijkt dat hun dat lang niet altijd lukt. Echtscheidingskinderen en eenouderkinderen lopen als groep vergeleken met kinderen uit twee-oudergezinnen een grotere kans op emotionele problemen en op leer- en gedragsmoeilijkheden.

Behalve dat dat voor de kinderen en hun omgeving rampzalig is, is het ook ondermijnend voor de democratie. Want hoe paradoxaal het ook lijkt: wie de politieke waarden van de democratie van toepassing verklaart op het ouderschap, maakt dat die ouders niet meer in staat zijn hun kinderen eigenschappen bij te brengen die de basis vormen voor hun latere democratisch burgerschap zoals zelfbeheersing en verantwoordelijkheidsgevoel. Met andere woorden: de rol van ouders is onverenigbaar met die van compleet vrije mensen.

In plaats dat de empirische gegevens over dat groeiende contingent probleemkinderen aanzetten tot een bezinning op het nog steeds toenemende percentage echtscheidingen en buitenechtelijk moederschap, groeit integendeel de kritiek op het traditionele twee-oudergezin, dat als een ziekmakend instituut wordt gezien. Zomaar een slogan die Dafoe aantreft op de bumper van een auto: ""Unspoken traditional family values: abuse, alcoholism, incest''. Wie bedenkingen tegen deze ontwikkeling naar voren brengt wordt beticht van onnozele nostalgie of van kwaadaardige vrouwonvriendelijkheid - want de meeste van deze probleemkinderen worden immers door hun moeder opgevoed.

Tot zo ver voorlopig de gedachtengang in het artikel van Barbara Dafoe. Niet nieuw - in ons land heeft psychologiehoogleraar Crombach bijvoorbeeld enkele jaren geleden iets vergelijkbaars naar voren gebracht - maar wel uit onverwachte hoek. Wat op het eerste gezicht een steekhoudende redenering lijkt, vertoont bij nadere beschouwing scheurtjes.

Het eerste is methodologisch van aard. Wie de groep echtscheidingskinderen vergelijkt met een groep kinderen uit twee-oudergezinnen kan natuurlijk niet verbaasd zijn dat die laatste groep als geheel minder problematisch is. Hij is immers per definitie "uitgezuiverd', gegeven de lage echtscheidingsdrempel van tegenwoordig. Wil je werkelijk op relevante punten kunnen vergelijken dan zou dat moeten met gezinnen met minstens even zovele verstoorde relaties, maar waar de ouders niettemin bij elkaar zijn gebleven. Die zijn er nog wel, maar zijn niet op te sporen. Een andere mogelijkheid zou zijn de gegevens van de echtscheidingskinderen van nu te vergelijken met die van kinderen van vroeger met ongelukkig getrouwde ouders die niet uit elkaar gingen. Die laatste gegevens zijn er niet.

Kortom, er is langs empirische weg niet te bewijzen dat echtscheiding als zodanig de risicofactor is of het conflictueuze milieu waarin het kind zich bevindt. Het feit dat mensen vroeger getrouwd bleven mag bijvoorbeeld niet zonder meer worden toegeschreven aan de nobele moraal van bij elkaar blijven om de kinderen. Een even plausibele - maar evenmin te bewijzen - reden kan zijn dat men het zich eenvoudigweg financieel niet kon permitteren zonder een vangnet van sociale zekerheid. Dat daar een fraaie bovenbouw op werd gezet van kinderbelang en trouwbeloften zegt niet zo veel. Het feit dat men in groten getale uit elkaar ging toen die laag-bij-de-grondse barrière was weggenomen, doet vermoeden dat de moraal niet diep zat.

Onbewijsbaar is ook of het voor de kinderen uit ongelukkige huwelijken van vroeger beter is geweest dat hun ouders het gezin bijeen hielden. Toch is dat wel een grondtoon in het artikel van Barbara Dafoe.

Het tweede scheurtje is psychologisch van aard. Hoewel Barbara Dafoe de moed heeft zich te keren tegen heersende opvattingen, laat ze een belangrijke sociale zwijgplicht intact: er mag niet gesproken worden over individuele verschillen. Het blijft een verhaal over groepen.

Lang niet alle kinderen van gescheiden ouders of alleenstaande moeders raken definitief in de problemen. Het percentage is alleen hoger dan in de andere groep. Ligt dat aan de echtscheiding zelf, of misschien aan de bron van echtscheiding? Sommige scheidingen betreffen mensen met een moeilijk karakter dat ook het kind in aanleg kan hebben meegekregen. Sommige huwelijken houden geen stand door de instabiliteit van man, vrouw of beiden, een karaktertrek die zeer wel erfelijk overdraagbaar is. Zijn dàt misschien vooral de gevallen waarin kinderen problemen hebben? Maar dan is het op z'n minst denkbaar dat die er ook zouden zijn geweest als het gezin niet uit elkaar was gevallen. Om te kunnen volhouden dat echtscheiding zonder meer slechter is voor een kind dan een twee-oudergezin is een veel fijnmaziger psychologische analyse nodig van individuele componenten.

In dit verband is het werk van Mavis Hetherington belangrijk. Zij wordt door Barbara Dafoe even genoemd, ter ondersteuning van de bewering dat we te optimistisch zijn geweest over het bevrijdend effect van echtscheiding op kinderen. Maar Mavis Hetherington brengt nu juist nuanceringen aan en komt mede op grond van individuele verschillen tot een driedeling: losers, survivers en winners, kinderen dus die ervan profiteren.

Enkele geschatte cijfers voor Amerika: de helft van het totale aantal kinderen zal de echtscheiding van de ouders meemaken en vervolgens gemiddeld vijf jaar in een alleenstaand gezin doorbrengen. Veertig procent van wie nu getrouwd is, zal een tweede keer trouwen voor het jongste kind achttien jaar is en dus een stiefgezin vormen. Een op de tien van alle kinderen zal een tweede echtscheiding meemaken voor het zestien jaar is. Niet meegerekend zijn degenen die niet hertrouwen, maar gaan samenwonen.

Het zijn geen cijfers waarbij je je zorgeloos kunt beperken tot de gemeenplaats dat het vroeger ook niet alles was. Maar het is wel nodig om, zoals Mavis Hetherington doet, uit te spitten in welke combinatie van factoren voor de kinderen de ellende kan zitten. Al in 1987 hield zij hierover een mooie Presidential Address voor de conferentie van de Society for Research Development in Child Psychology in Baltimore en daarna heeft zij er herhaaldelijk over gepubliceerd.

Het karakter van een kind is op verschillende manieren van invloed op de mate waarin de echtscheiding een risicofactor is voor de verdere ontwikkeling. In de spanningen rond de echtscheiding, als moeder vaak weinig kan verdragen, krijgt een kind met een moeilijk temperament bijvoorbeeld meer van haar ergernis over zich heen dan een makkelijk meegaand kind. Het is vaker doelwit van haar zich afreagerende agressie. Dit kan een toch al moeizamer ouder-kind relatie doen verslechteren en uitgroeien tot een duurzaam conflict.

Al naar gelang hun karakter zijn kinderen ook meer of juist minder in staat gebruik te maken van de social support binnen en buiten het gezin. Een open, spontaan kind gaat sneller in op afleidende en ondersteunende contacten met grootouders, buurvrouwen, schoolvrienden enzovoort dan verlegen, teruggetrokken kinderen. En juist in de eerste periode is zo'n steunfonds belangrijk.

Een voorbeeld van hoe subtiel diverse factoren op elkaar inwerken: als moeder depressief is en het kind makkelijk van karakter, dan kan steun van buitenaf blijvende problemen voorkomen. Hetzelfde geldt bij een moeilijk kind en een moeder die redelijk stevig op haar benen blijft staan. Maar de omgeving heeft geen invloed bij de combinatie van een depressieve moeder en een moeilijk kind. Dat kind zou wel eens een loser kunnen worden. Dat er daarentegen ook kinderen zijn die profiteren van de echtscheiding - winners - verklaart Mavis Hetherington bijvoorbeeld uit de combinatie van een makkelijk temperament, milde stress als gevolg van de scheiding en extra steun van buitenaf. Zulke kinderen groeien in zelfvertrouwen.

Veel aandacht heeft zij besteed aan stiefgezinnen. Door Barbara Dafoe wordt van deze gezinnen als groep een negatief beeld geschetst. Vele ervan raken ook in de problemen, maar ook hier is het weer essentiëler om te weten welke wel en welke niet.

Een kwestie van ""timing, timing en nog eens timing'', volgens Mavis Hetherington. Hertrouwen is tot de kinderen een jaar of negen zijn meestal geen probleem, als de stiefvader warm en aardig is en zich aanvankelijk niet rechtstreeks met de opvoeding bemoeit. Na een jaar of vijftien zijn er ook geen speciale, langdurige moeilijkheden, de kinderen zijn dan meestal zelfs wel opgelucht, omdat zij door verantwoordelijkheidsgevoel voor hun moeder niet langer belemmerd worden in hun drang naar de vrijheid van een eigen leven.

Maar de tussenliggende jaren zijn de slechtste periode die je voor hertrouwen kunt bedenken. Kinderen van deze leeftijd hebben in een gezin met een alleenstaande ouder een zekere status en medezeggenschap. De komst van een man in huis doet hier afbreuk aan. Bovendien maakt hun eigen groeiend seksueel bewustzijn dat ze er niet zo expliciet aan herinnerd willen worden dat ook hun moeder een seksueel wezen is. Hetherington geeft mooie voorbeelden van de walging waarmee kinderen kunnen vertellen over de meest oppervlakkige liefkozingen tussen moeder en stiefvader. Overigens is zij ook degene die erop hamert dat kinderen vanaf de vroege adolescentie het beste kunnen wonen bij de ouder van gelijke sekse.

Met deze paar noties uit het werk van Mavis Hetherington doe ik tekort aan haar indrukwekkende, op onderzoek gebaseerde inzicht. Het ging er mij maar om aan te geven dat er, in haar woorden, geen sprake is van algemene "gloom and doom'. Negatieve effecten hangen af van de karakteristieken van het kind zelf, van zijn ouders, van de omgeving en van achtereenvolgende levenservaringen.

Ten slotte nog een scheurtje in de maatschappelijke implicaties die Barbara Dafoe noemt. Hoe bedreigend is dit alles voor de democratie? Daarbij moeten we even afzien van het vooral typisch Amerikaanse probleem dat het alleenstaand moederschap vaak leidt tot afhankelijkheid van de allerlaagste uitkering en - vooral onder de zwarte bevolking - tot verpaupering. Het gaat nu meer om haar redenering dat door het eigenbelang (het recht op individuele vrijheid) te stellen boven dat van de kinderen niet langer de voor de democratie ook belangrijke waarden van loyaliteit, verantwoordelijkheidsgevoel en gemeenschapszin kunnen worden overgedragen. Zij citeert daarbij de mening van De Tocqueville dat juist een individualistische samenleving afhankelijk is van het op gemeenschappelijkheid gerichte basisinstituut "gezin'. Dat is de kweekvijver voor eigenschappen die het nodige tegenwicht moeten vormen voor het alleen maar opkomen voor jezelf in de wereld van gelijke rechten voor iedereen.

Maar was hij ook niet degene die het huwelijk uit liefde noemde als een van de kenmerken van democratie tegenover de verstandshuwelijken van vóór de Franse revolutie? En zou het niet zo zijn dat hij bij een dááruit voortkomend liefdevol gezinsklimaat de beste omgeving zag voor het overgedragen van bovengenoemde eigenschappen? Hij zal toch niet gedacht hebben dat daar ook iets van terecht kan komen in gezinnen waar de ouders elkaar emotioneel naar het leven staan?

Ik ben een absolute aanhanger van het huwelijk, en kinderen krijgen is het mooiste wat een mens kan overkomen. Ik geloof dat mensen zichzelf tekort doen door te snel te denken dat hun relatie geen toekomst heeft. In dit verband is het jammer dat scheiden zo makkelijk is geworden. De dwang om de eerste hobbels te nemen is weggevallen. Maar dikwijls zit het er ook na enig uithoudingsvermogen nu eenmaal niet in. Dan is echtscheiding niet goed, maar het minste van twee kwaden.

In die zin is het artikel van Barbara Dafoe eigenlijk echt Amerikaans: het niet kunnen erkennen dat dat soms het hoogst bereikbare is en dat niet alles zich ten goede kan keren als je maar zou weten hoe je iets moest aanpakken.

* Barbara Dafoe: Dan Quayle was right. The Atlantic Monthly, april 1993.

* H.F.M. Crombach & W.E. Elzinga: Niet waar de kinderen bij zijn. In: K. Blankman & L.C.M. Stegmann (red): Het recht of het belang van het kind. Assen: Van Gorcum, 1989.

* E. Mavis Hetherington & W. Clingempeel: Coping with Marital Transitions. Monographs of the Society for Research in Child Development, 57, nos. 2-3, 1992.

* Jon Elster: Desires and Opportunities. Alexis de Tocqueville's Political Psychology. Deventer: Van Loghum Slaterus, 1989.