Het gevecht tussen de plaatjes en praatjes in de Tour

“Dit is óók radio”, roept Jeroen Wielaert verongelijkt in zijn microfoon. Zoals altijd is de snelle reporter van Radio Tour de France het eerst bij Erik Breukink wanneer deze over de eindstreep is gerold. Zijn eerste hijgerige vragen worden hijgerig beantwoord als plotseling een ander vragen gaat stellen. Het blijkt Mart Smeets, gewapend met Big Brother, de tv-camera. Wielaert reageert even aangeslagen met genoemde wanhoopskreet, omdat hij meent de eerste rechten te hebben. Maar allengs neemt hij toch weer het heft in handen. En hij wint.

Het gevecht tussen de electronische media om de eerste reactie. Onderweg in de auto hoor je het lawaai van het lijf-aan-lijf-duel om Breukinks aandacht. Thuis op de bank zie je de machteloosheid van de schrijvende media, die met lange oren proberen mee te luisteren. Wat hij ook roept, als hij maar roept. Dat is de aantrekkingskracht van het leven aan de finish.

Vroeger was de Tour de France radio. Nu zou hij televisie moeten zijn. De plaatjes zouden het van de praatjes moeten winnen. Theo Koomen schilderde landschappen, sprints, beklimmingen en combines voor als afkomstig uit de hemel of naar believen uit de hel. De realiteit die Mart Smeets en Jean Nelissen proberen te verduidelijken blijkt toch anders. Twee uur, soms bijna vijf uur Tour-televisie. Vanwaar die verdwazing? Opgedrongen verpozing of opgedrongen commercie?

Urenlang zitten Nelissen en Smeets daar in dat monitortje aan de finish te gluren, ver van de wedstrijd. Zonder plaspauze. Ze zien niet meer dan wij thuis, soms minder als de zon in dat monitortje schijnt. Nelissen (26ste Tour) trekt profijt van zijn kennis en zijn archief, dat hij elke dag conscentieus bijhoudt. Smeets (19de Tour) doet een beroep op zijn geheugen, zijn inzicht, spreekvaardigheid en flair. Ze zouden elkaar moeten aanvullen. Ze zouden iets moeten toevoegen. Nelissen meldt zinnige zaken. Maar zonder Smeets zou het saai zijn.

Informatie over achterstanden (“ik schat dat hij nu zo'n twee minuten achterligt, wat denk jij Jean”), afstappers en andere Nederlanders is er niet zolang ze niet op hun monitor verschijnen. En waarom niet zoals op de Vlaamse televisie een ex-wielrenner die uitlegt wat er gebeurt? Zoals in de vlakke etappes Eddie Planckaert en in de bergen Johan de Muynck. Zij hebben de Tour gevoeld, op de fiets.

Plaatjes vergoeden veel, maar te weinig. Radio biedt meer spanning. Sinds in 1984 Theo Koomen ons ontviel, heerst een furieus gevecht om zijn erfenis. Hoe Jacques Chapel, Leo Driessen en Gio Lippens ook schreeuwen - vooral dat, de fictie van Koomen komt nooit meer terug.

Toch heerst op de radio meer Tour-koorts. Vooral in de studio. Daar heerst infantilisering. Het Tour-spel: “Staat Tony Rominger tweede in de wereldbeker? Ja of nee?”, is de vraag. Ja. Helaas voor de nee-zeggers.” Maar Rominger is tweede in het computerklassement en niet in dat van de wereldbeker. Foutje dus. “Stephen Roche won in 1987 de Tour, de Vuelta en het wereldkampioenschap. Ja of nee?” “Ja, dus.” Weer een foutje dus. Hij won de Giro en niet de Vuelta. Even later wordt de fout hersteld. Radio Tour de France. Verpozing èn verdwazing. In Frankrijk, zelf in de Tour, heb je er geen notie van hoe gek ze doen om de Tour levend te houden.

En alles draait om Breukink, die al lang heeft aangetoond dat hij nooit de Tour kan winnen. Maar waarom dat als medium toegeven? Maak hem favoriet, held, kind van het volk. Dan kun je hem altijd nog verliezer maken, martelaar en slachtoffer van die grote boze wereld. Topsport draait om vereenzelviging.

De Avondetappe, voor wie tussen tien en elf uur nog naar Radio 1 wil luisteren, is verrassend goed. Interviewtjes met Tourrenners, informatie en columns van wielerfreaks, zoals Martin Ros, Tim Krabbé en John Jansen van Galen, mensen die de Tour eigenlijk alleen kennen van lezen en horen zeggen. Maar daarom wel leuk. Als gast een (ex-)wielrenner. Peter Winnen bijvoorbeeld. Of hij weleens last had van verslaggevers die hem koud over de finish aanschoten. “Ik heb weleens de neiging gehad een verschrikkelijk beuk te geven. Maar ik hield me in. Ik zei maar wat.”