FREYA STARK; Een avonturierster met lippenstift op

Freya Stark. A Biography door Molly Izzard 342 blz., gell., Hodder & Stoughton 1993, f 77,25 ISBN 0 340 58907 8

Al in 1931 dacht ze dat ze het loodje zou leggen. Het was tijdens één van haar eerste reizen in wat toen nog Perzië heette. Hoewel een lokale arts haar verzekerde dat malaria en dysenterie normale ziekten waren waarmee hij aan de lopende band te maken kreeg, wist Freya Stark zeker dat ze doodging. Een week later was ze weer op de been.

Deze gang van zaken zou zich nog vele malen herhalen; er ging geen reis voorbij of Freya werd overvallen door een al dan niet definieerbare ziekte - variërend van hartklachten en maagaandoeningen tot de mazelen, koorts en uitputting - en in de vele brieven die ze schreef was haar gezondheid altijd een dankbaar onderwerp. Desondanks overleefde ze vrijwel al haar vrienden en familieleden. Toen ze op 10 mei van dit jaar overleed, was ze honderd jaar oud. Vlak daarvoor had Freya Stark. A Biography van de hand van Molly Izzard het licht gezien.

In Nederland zal haar naam voornamelijk ingewijden in de Britse reisliteratuur bekend voorkomen (haar boeken zijn niet in het Nederlands vertaald). In de Angelsaksische wereld daarentegen belichaamde Dame Freya Stark niets minder dan ""een meer dan levensgrote legende'', om met de woorden van Izzard te spreken. Bekendheid verwierf ze in eerste instantie met haar reizen door het Midden-Oosten, waar ze in 1927 haar eerste schreden zette. Ze was toen vierendertig, ongetrouwd, nauwelijks bemiddeld en niet gewend zich te bewegen in de kringen van de Britse koloniale upperclass. Toch zag Stark er niet tegenop om, met een oppervlakkige kennis van het Arabisch als enig wapen, een klein deel van Noordwest-Arabië in kaart te brengen, in een periode waarin er letterlijk nog witte vlekken op de landkaart bestonden.

Haar eerste boek, The Valleys of the Assassins, vormde hiervan de neerslag en was een groot succes. Er volgden reizen naar Luristan en Hadhramaut, het achterland van de toenmalige Britse kolonie Aden. Langzaam kreeg de vreemde eend in de koloniale bijt een zeker aanzien als schrijfster en reizigster in het Midden-Oosten.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog beleefde Freya hoogtijdagen als expert op het gebied van Zuid-Arabië in dienst van de Britse regering. Ze begon in Aden als assistent bij de radio-omroep, maar werd op eigen initiatief al snel overgeplaatst naar Cairo. Hier zette ze als propagandiste de zogenaamde Brotherhood of Freedom op poten: een uit cellen opgebouwde organisatie die door het aanwakkeren van een pro-Britse houding onder de bevolking de invloed van de Italiaanse fascisten moest reduceren. In Irak initieerde ze een soortgelijke organisatie, maar deze zou nooit zo succesvol worden als in Egypte, waar de Broederschap eind 1943 40.000 leden had.

Freya was toen al in de Verenigde Staten beland, waar ze als Midden-Oosten expert een lezingencyclus hield over de Arabische wereld. Hoewel de zionisten haar beschuldigden van pro-Arabische propaganda, werd ze door anderen bewonderend beschreven als ""a woman who knows''. Later verspreidde Stark ook in India en Italië ""de boodschap van de democratie'', totdat haar contract met de Britse overheid in 1947 werd beëindigd. In datzelfde jaar trouwde ze met haar voormalige chef uit Aden, Stewart Perowne. Zij was inmiddels 54, hij 46 en homoseksueel. Vijf jaar later werd het weinig succesvolle huwelijk met wederzijdse instemming ontbonden.

In de na-oorlogse jaren resideerde Freya Stark veelal in een haar nagelaten villa in het Italiaanse Asolo. Maar als schrijfster en reizigster was ze produktiever dan ooit. Niet alleen doorkruiste ze Klein-Azië verschillende malen en schreef hierover diverse boeken, maar tevens publiceerde ze in de periode 1951-1960 haar vierdelige autobiografie.

Tot op zeer hoge leeftijd zou Freya blijven reizen, vaak in het gezelschap van haar petekinderen (daarvan had ze er tien; het peetouderschap van één van hen deelde ze met Winston Churchill). Ze was de tachtig ruimschoots gepasseerd toen ze voor twee documentaires met de BBC op stap ging. Tussendoor gaf ze haar integrale correspondentie uit (acht delen) - in eigen beheer, na onenigheid met haar uitgever, die slechts een selectie wilde publiceren.

Aan officiële erkenning had Stark ondertussen niet te klagen: in de loop der tijd verwierf ze voor haar werk een eerbiedwaardige verzameling prijzen, en ontving ze twee eredoctoraten. In 1972 werd ze tot Dame van het Britse Rijk gemaakt.

Waarschijnlijk zijn er weinig levens zo goed gedocumenteerd als dat van Freya Stark. Het ligt dan ook niet voor de hand om aan haar nog eens een levensschets te wijden. Zelfs Freya, die er nooit vies van was in de schijnwerpers te staan, schijnt Molly Izzard afgeraden te hebben hieraan te beginnen. Maar, zoveel wordt bij het lezen van dit boek al snel duidelijk, het was niet Izzards bedoeling om de feiten over Freya's leven nog eens netjes op een rijtje te zetten. ""To look beyond the achievement to the motivating force'', dat was wat de biografe voor ogen stond.

Izzard woonde zelf jarenlang in het Midden-Oosten en publiceerde er verschillende boeken over. Toen ze zich in Freya's leven verdiepte, werd ze getroffen door de discrepantie tussen de vooroorlogse avonturen - die volgens haar niet bepaald success-stories waren, maar gekenmerkt werden door arrestatie, ziekte, mislukking en uitzetting - en de na-oorlogse faam. Niemand was in staat haar uit te leggen of Freya's snel verworven roem nu het gevolg was van haar prestaties als reizigster/onderzoekster, schrijfster of geheim agente. Sterker nog, meer dan eens werd Izzard geconfronteerd met badinerende uitlatingen over Freya van mannen die ""zelf hun sporen verdiend hadden''.

De opmerking die de biografe in dit verband het meest shockeerde, was afkomstig van Freya's collega-reiziger Wilfred Thesiger, die haar toevertrouwde dat Freya niets gepresteerd had wat een ondernemende ambassadesecretaresse niet ook had kunnen doen. Christopher Scaife, een professor in Engelse literatuur, die in 1942 de leiding over de Broederschap overnam van Stark, liet zich in gelijksoortige termen over zijn voorgangster uit. ""O jeetje,'' liet die zich ontvallen, ""waarom resulteert het noemen van de naam van die arme Freya toch altijd in dit soort onvriendelijke reacties!''

Helaas zet Izzard bij dit soort uitlatingen weinig kanttekeningen. Een doorgewinterde ontdekkingsreiziger was Freya zeker niet, en dat is waarschijnlijk waaraan Thesiger refereerde, maar ze wist wel op onnavolgbare wijze door te dringen tot het dagelijks leven in de gebieden die ze beschreef. Niet voor niets raadde het Britse ministerie van buitenlandse zaken haar werknemers in het Midden-Oosten aan Starks werk te lezen: ""Niemand kan aan Freya tippen, zoals die in de huid van de mensen daar kruipt'', heette het.

De meningen over Freya Stark waren, kortom, verdeeld. En het was deze combinatie van een enorme reputatie en het ""ontbreken van pleitbezorgers ervan'', die Izzard inspireerde tot haar speurtocht. Die leidde in eerste instantie naar Freya's uitgever in Londen, John Murray. Daar veroorzaakte Izzards voornemen om de als onhandelbaar en eigengereid bekend staande schrijfster te bezoeken, behoorlijk wat consternatie. Uiteindelijk ontving Stark haar biografe echter gastvrij en was de beminnelijkheid zelve. Maar de verschillende gesprekken met haar dreven de biografe veeleer tot wanhoop dan dat ze haar verder hielpen. Freya bleek een meester in smalltalk, schermde met dooddoeners als ""Het Britse Imperium was, voor zover je dat van imperia kunt zeggen, het beste bewind ter wereld na het christendom''. Bovendien verloor ze zich in allerlei spirituele verhandelingen over haar Broederschap - waarmee ze claimde tijdens de oorlog het Midden-Oosten voor de democratie gered te hebben.

Het waren dan ook uiteindelijk gesprekken met bekenden van Stark en (ongepubliceerde) correspondentie die Izzard de informatie opleverden voor haar boek. Daarin tekent zich het beeld af van een vrouw die al vroeg besloten had in het leven te slagen en hoe dan ook erkenning te verwerven - en die daarvoor al haar wapens in de strijd wierp. De reputatie van Freya als een wat excentrieke, maar energieke en alom geliefde vrouw maakt in deze biografie plaats voor die van een bedreven manipulator, die als geen ander in staat was situaties en mensen naar haar hand te zetten, vaak ook met terugwerkende kracht. Daarbij werden anderen niet zelden om de tuin geleid en werd de waarheid meer dan eens geweld aangedaan.

Tijdens een rampzalig verlopen expeditie naar Hardhramaut die Stark ondernam met de archeologe Gertrude Caton Thompson en de geologe Elinor Gardner - gezamenlijk werden ze de ""three Foolish Virgins'' genoemd - beklaagde Freya zich over de aandoeningen van haar collega's. In werkelijkheid was zij zelf degene die tot drie keer toe ziek afgevoerd moest worden, en voor wie een piloot speciaal - en nodeloos - een landing maakte, hetgeen hem de woorden ""bloody bitch'' ontlokte.

Eveneens wordt duidelijk dat Freya door haar eigen schuld met goede vrienden gebrouilleerd raakte. Zoals Venetia Buddicom, haar eerste reisgenoot, die in Starks autobiografie in een paragraafje wordt afgedaan, maar haar in werkelijkheid haar financieel steunde. Ook mensen die een deel van het krediet voor haar latere prestaties verdienen, zoals haar moeder en de schrijfster Margaret Jourdain, komen er bijzonder bekaaid af in haar autobiografie. Anderzijds worden wetenschappers, diplomaten en militairen voor wie Freya een bijzondere achting had, door haar uitvoerig geroemd (hoewel zij zelf in hun memoires lang niet altijd voorkomt).

Freya Stark, zo luidt het oordeel van Izzard, was niet genteresseerd in journalistiek, ethiek of wetenschap, maar in ""getting on'', in het verwerven van een reputatie, en het krijgen van erkenning voor haar capaciteiten als reizigster, schrijfster en uiteindelijk politicus. En daarvoor moest veel wijken. In 1940 werd haar moeder, Flora Stark, in Italië door de fascisten gearresteerd, hetgeen waarschijnlijk verband hield met het gerucht dat Freya als Engelse spion werkzaam was. Toen Flora, inmiddels gevlucht naar de VS, haar oorlogservaringen in 1942 op schrift gesteld had, en overwoog de journalistiek in te gaan om haar schulden af te lossen, drukte Freya haar in een brief op het hart dat niet te doen: ""omdat het mijn eigen werk zou kunnen schaden.''

Freya Stark hield niet van half werk; ze orkestreerde haar verschijning en reputatie tot in details. Haar zorgvuldig ten toon gespreide voorliefde voor het exploreren van ruige en gevaarlijke gebieden combineerde ze met veel vrouwelijk uiterlijk vertoon; aan jurken spendeerde ze een vermogen en ten tijde van de belegering van de ambassade in Baghdad in 1941, speelde Freya het klaar op een boodschappenlijstje om make-up te vragen, vastbesloten te sterven met haar lipstift op.

Het ligt voor de hand Freya's behoefte aan aandacht en erkenning in verband te brengen met haar achtergrond en dat is dan ook wat Izzard in deze biografie doet. In haar jeugd zat het Freya niet mee. Op dertienjarige leeftijd kwam haar lange haar klem te zitten in een machine, waardoor ze half gescalpeerd werd. De huidtransplantaties die hierop volgden, namen maanden in beslag en het ongeluk zou altijd zijn sporen op haar gezicht achterlaten. Haar bijna obsessieve liefde voor hoeden vond hier waarschijnlijk zijn oorsprong.

Een paar jaar later vielen vergevorderde plannen voor een huwelijk met een Italiaanse arts in duigen, toen de man in kwestie zich op het laatste moment terugtrok. Freya was ontzet; haar moeder was des duivels en moest er door Freya van weerhouden worden de arts te vervolgen wegens de voor de uitzet gemaakte kosten.

Inmiddels waren haar ouders gescheiden en had Robert Stark, die een fervent aanhanger was van de "Back to Nature'-filosofie, zich in Canada gevestigd. Gedurende de rest van zijn leven zou hij zich meer interesseren voor zijn zelf gekweekte bloembollen, dan voor de opvoeding van zijn dochter. Toen Freya, op het punt om naar Libanon te vertrekken, hem in 1927 na een beroerte wilde komen opzoeken, telegrafeerde hij: ""Go East: I am half cured''.

Dat Freya zichzelf lelijk en verminkt voelde en dat ze op jonge leeftijd zowel door haar minnaar als haar vader werd verlaten, houdt ongetwijfeld verband met haar latere hang naar bevestiging, haar neigingen tot hypochondrie en de door Izzard gesignaleerde ziekelijke gewoonte om de mannen in haar omgeving in te lijven bij een schare imaginaire aanbidders. Volgens Izzard was haar moeder de enige persoon met wie ze een liefdesrelatie deelde, en waarschijnlijk heeft ze het bij het rechte eind. Hun briefwisseling getuigt van zo'n intiem contact, dat kennissen na publikatie ervan versteld stonden. Maar als Izzard insinueert dat Freya eigenlijk lesbisch was, gaan haar psychologische analyses met de feiten aan de haal. Dat Freya een bijzonder oog had voor het uiterlijk van andere vrouwen, is voor iemand met haar preoccupaties niet meer dan logisch; verder moest ze van de meeste vrouwen weinig hebben. Haar zeventigste verjaardag vierde ze uitsluitend in het gezelschap van mannelijke vrienden.

Toch is Molly Izzard er in geslaagd een wat ontluisterend, maar grotendeels geloofwaardig beeld van Freya Stark te schetsen. Wat echter irriteert, is de impliciet afkeurende houding van de biografe, die voortdurend tussen de regels doorsijpelt. Het is maar de vraag hoe laakbaar Freya's optreden was: haar opportunistisch carrièrestreven had ze ongetwijfeld gemeen met veel van haar mannelijke collega's en bovendien was een dergelijke houding voor een alleenstaande vrouw in haar kringen waarschijnlijk een vereiste om zich staande te houden.