EENWORDING

In het Zaterdags Boekenbijvoegsel van 3 juli jl. is een bespreking van Albert E. Kersten verschenen over "Histoire de la Haute Autorité de la Communauté Européenne du Charbon et de l'Acier. Une expérience supranationale' door Dirk Spierenburg en Raymond Poidevin. De recensent heeft daarbij - schrijvend over la communauté ""de charbon'' - enige interessante beschouwingen gegeven, waarbij ik mij in het algemeen gaarne aansluit. Er zijn in zijn résumé echter enige opmerkingen die correctie verdienen.

1. Kersten begint zijn recensie met een korte weergave van een verslag dat Stikker in juli 1952 aan zijn collega's heeft geschreven, ""de laatste vergadering van de EGKS-ministers'' die hij als Nederlands bewindsman bijwoonde. Dat is een misvatting, die de bijzonder hoogleraar in de diplomatieke geschiedenis van Nederland aan de Rijksuniversiteit te Leiden eigenlijk niet had mogen maken. Een ""vergadering van de EGKS-ministers'' bestond toen nog niet; die kwam pas bijeen in de maand volgende op die waarin de HA in functie trad, en dat was op 10 augustus. Wat Stikker hier meemaakte was een ministeriële bijeenkomst van de regeringen die het EGKS-verdrag hadden gesloten om de instelling van de HA voor te bereiden. Daaraan was heel wat meer te regelen dan alleen de plaats waar de HA haar eerste bijeenkomsten zou houden. In feite is op die vergadering dan ook slechts kort over de vestigingsplaats van de HA gesproken. Of ze inderdaad tot zes uur 's ochtends op de 25e juli heeft geduurd, is mij destijds overigens ontgaan.

2. Kersten wekt de indruk dat de HA ""in samenwerking met de Raad van Ministers het beleid van de EGKS zou bepalen'', en verderop dat de executieven van de latere Europese organisaties, anders dan de HA, geen eigen bevoegdheden zouden mogen uitoefenen. Beide opmerkingen zijn echter minder juist. Enerzijds: de HA had een groot aantal bevoegdheden die zonder tussenkomst van de Bijzondere Raad van ministers konden worden toegepast, en als die tussenkomst dan al nodig was, toch alleen maar als de Raad daarvoor toestemming of goedkeuring zou geven. Er is geen sprake van dat de Raad de voorstellen van de HA zou kunnen wijzigen.

Anderzijds: ook de Europese Commissie en destijds de Euratom-commissie hebben wel degelijk eigen bevoegdheden welke zij zelf onafhankelijk van de Raad van Ministers konden uitoefenen. Denk maar aan de artikelen 85 en 86 (concurrentie-verhoudingen) en de artikelen 90 en 93 (steunverlening door de Lid-staten) van het EEG-verdrag, en aan bijvoorbeeld artikel 103 (betrekkingen met derde landen) van het Euratom-verdrag.

Als men de verdragen wel met elkaar wil vergelijken, dan is het duidelijk dat in de EGKS de HA de beslissende rol speelt, zij het dat de Bijzondere Raad in bepaalde gevallen toestemming daarvoor moet geven, terwijl in andere verdragen de Raad van Ministers de leidende rol speelt: de Europese commissie heeft het recht voorstellen te doen maar de Raad beslist daarover, zij het dat de Europese Commissie ook in bepaalde gevallen de eindbeslissing kan treffen. Het zijn deze hoofdpunten dioe de orde in de verscheidene verdragen bepalen, veel meer dan de al dan niet terechte bevoegdheden op een of ander punt.

3. Het is inderdaad zo dat de vlag der Europese integratie-politiek vanaf 1958 door de EEG van de EGKS is overgenomen, maar het is iet correct daarvoor onder andere de overstap van hoge ambtenaren van de EGKS naar EEG en Euroatom aan te geven. In feite heeft Pierre Uri nimmer in Brussel gewerkt en is de overgang van Wellenstein naar Brussel pas in de loop van 1967 verwezenlijkt, terwijl de zogenaamde informatie-gegevens van de EGKS daarbij geen rol hebben gespeeld.