Een klooster dat er nooit had mogen zijn

Na jaren van ruzies tussen het Poolse episcopaat en vertegenwoordigers van joodse organisaties hebben de nonnen van Auschwitz hun klooster verlaten - zeer tegen hun zin, maar op last van de paus. Deel drie van de serie over kloosters in de wereld.

OSWIECIM, 17 JULI. Het is dan eindelijk zover. De nonnen van het karmelietessenklooster in Auschwitz zijn verhuisd. De jarenlang durende controverse tussen het weldenkende deel van de internationale gemeenschap en de Poolse katholieke kerk is ten einde. Tot op het laatste moment hebben de veertien nonnen van de karmelietessenorde vastgehouden aan hun wens om te blijven in het enkele meters buiten het prikkeldraad van het vernietigingskamp gelegen gebouw dat de Polen “de oude schouwburg” noemen, maar dat nooit als zodanig is gebruikt. Wel diende het gebouw in het begin van de oorlog als opslagplaats van Zyklon-B, het gifgas dat de Duitsers gebruikten in de gaskamers, en later als opslagplaats van de schamele bezittingen van de omgebrachte joden.

Pas nadat paus Johannes Paulus II enkele maanden geleden in een brief had duidelijk gemaakt dat het “de wil van de kerk” is dat zij het klooster zouden verlaten hebben de nonnen erin toegestemd te verhuizen naar het nieuw gebouwde klooster, een kilometer verderop, op een soort industrieterrein, tussen de gemeentelijke waterleiding en een elektriciteitscentrale. Zes religieuzen wonen daar nu, van wie vier van de oorspronkelijke bewoonsters van de "schouwburg' - in een gebouw dat gemakkelijk het tienvoudige aantal zou kunnen herbergen.

De niet meeverhuisde zusters zijn in de meeste gevallen teruggekeerd naar het karmelietessenklooster in Poznan, waar een tiental jaren geleden het onzalige idee werd geboren om uitgerekend in Auschwitz een klooster te stichten ter nagedachtenis aan de omgekomen slachtoffers van de holocaust.

Op de joodse gemeenschap is de stichting van het katholieke klooster op die voor joden zo noodlottige plaats overgekomen als een regelrecht affront: hier deden Poolse katholieken, zo ervoeren veel joden het, een poging om Auschwitz te monopoliseren als symbool voor het lijden van de naar schatting 1,6 miljoen mensen die in Auschwitz en het enkele kilometers verderop gelegen Birkenau (de Poolse naam is Brzezinka) zijn vergast, doodgeschoten, doodgemarteld of verhongerd.

In 1987 leek het erop dat de kwestie in der minne was geschikt. Toen sloot de Poolse kardinaal Macharski (van Kraków) een akkoord met joodse organisaties dat de karmelietessen in 1989 een nieuwe behuizing zouden betrekken, verder weg van het kamp. Kanunnik Marek Glownia werd belast met het toezicht op de bouw van een “centrum voor informatie, ontmoeting, dialoog, opvoeding en gebed in Auschwitz”, annex klooster. Twee aparte gebouwen zouden er verrijzen, waarvan het ene was bedoeld om vooral jongeren voorlichting te geven “niet alleen over concentratiekampen, Hitlers ideologie en de resultaten daarvan, maar ook over de pogingen om dergelijk kwaad te overwinnen en te bouwen aan internationale en interreligieuze samenwerking”. Het andere gebouw was bestemd voor de nonnen.

Pas vorig jaar augustus werd het centrum in gebruik genomen. Het klooster, door een drie meter hoge muur gescheiden van het centrum, was toen nog lang niet klaar. Zelfs in de dagen dat honderden joden uit de hele wereld, inclusief de Israelische premier Yitzhak Rabin, de vijftigste verjaardag van de opstand in het getto in Warschau herdachten, in april van dit jaar, hadden de nonnen het gebouw aan de rand van het woud nog steeds niet verlaten. In mei klaagde ook de eerwaarde Glownia, inmiddels directeur van het centrum, dat de zusters nog geen teken van beweging hadden gegeven. Naar verluidde zouden ze de inrichting van het nieuwe klooster niet in overeenstemming vinden met hun ascetische leefwijze.

Pas twee weken geleden, op 30 juni, bleken de karmelietessen tenslotte gehoor te hebben gegeven aan het bevel van hun opperste leider op aarde, de paus in Rome.

“Wij wisten nergens van”, zegt Krystyna Oleksy, directrice van het staatsmuseum Auschwitz-Birkenau. “Wij hebben het ook maar uit de krant.” Mevrouw Oleksy zegt het diep te betreuren dat de aanwezigheid van de nonnen in het gebouw tot zulke diepe conflicten heeft geleid, en in 1989 zelfs tot protestdemonstraties van de radicale New-Yorkse rabbijn Avraham Weiss. De reputatie van haar museum is door dat alles ernstig geschaad. “Ik hoop dat nu de rust is teruggekeerd. Het belangrijkste is dat ze weg zijn. Dit is een plaats voor wederzijds begrip tussen Polen en joden, niet voor confrontatie.”

Het commentaar van mevrouw Oleksy mag gerekend worden tot een van de zindelijkere uitlatingen die in verband met de kloosterkwestie zijn gedaan. In de stad Oswiecim (zoals Auschwitz in het Pools heet) bestaat bijvoorbeeld een groep “voor de bescherming van de zusters” die in een brief de paus heeft verzocht zijn beslissing te herzien. Maar men realiseert zich wel dat het daarvoor nu te laat is: “Niemand heeft ooit werkelijk van de joden gewonnen”, zo wordt een verbitterde ondertekenaar geciteerd in het Engelstalige weekblad Warsaw Voice.

Wat er nu met het gebouw van de oude schouwburg gaat gebeuren weet mevrouw Oleksy overigens ook nog niet. “Ik weet niet eens of het al werkelijk is ontruimd. De toekomst ligt open, maar reden voor haast is er niet. Daarvoor zijn de emoties te hoog opgelopen. Het gebouw heeft nooit behoord tot het museumterrein, het ligt er net buiten. Het is altijd bezit geweest van de gemeente Oswiecim. Die heeft het in 1984 aan de nonnen verpacht - voor de eeuwigheid.”

Ir. Zdzislaw Wiertel, vice-president van het stadsbestuur van Oswiecim(loco-burgemeester), gelooft dat het het meest waarschijnlijk is dat het voormalige klooster wordt verpacht aan het staatsmuseum Auschwitz-Birkenau. Dat zou ook in de geest zijn van de beslissing die de UNESCO al direct na de oorlog heeft genomen om het gebouw als monument te bestempelen, ook al ligt het dan buiten het terrein van het vernietigingskamp. Alleen het feit dat er geen zinvolle bestemming voor het gebouw was - het werd als opslagplaats voor van alles en nog wat gebruikt en raakte in de loop der jaren meer en meer in verval omdat niemand erin genteresseerd was - had de gemeente er in 1984 toe gebracht het aan de karmelietessen af te staan.

Het gebouw van het voormalige karmetietessenklooster naast het vernietigingskamp Auschwitz ligt er met zijn overkoepelende bordes, zijn rechthoekige raampjes en erkertjes daar boven bijna wulps bij. Een tuinman, wiens brommer op het toegangspad staat geparkeerd, vraagt om een vuurtje, maar weigert op de foto te komen. Een kennis heeft hij zojuist wat van de grote frambozen gegeven die hij in de kloostertuin had geplukt. De tuin wordt nog steeds zorgvuldig onderhouden, het houten kruis staat er nog uitdagend bij.

Heel anders is de situatie bij het nieuwe klooster. In wat een kloostertuin moet worden draaien nu nog betonmolens en sjouwen bouwvakkers materiaal naar de nog niet voltooide linkervleugel. Sylwia Tempel, lid van de staf van het "Centrum voor Informatie etcetera' weert alle vragen af. Pater Glownia is met vakantie, zegt ze, de toegang tot het klooster is verboden. Op de vraag in wat voor verhouding het klooster nu precies staat tot het centrum, antwoordt zij korzelig dat het klooster moet worden gezien als het "contemplatieve hart' van het centrum. Maar bestaat er dan tussen de bezoekers van het centrum, jonge toeristen veelal die er voor tien dollar per nacht kunnen logeren, en de nonnen enige vorm van communicatie? Nee, dat niet direct. Men dient het zo te zien, zegt mevrouw Tempel bits: “De zusters ondersteunen door hun contemplatieve dialoog met God de internationale, interreligieuze en interpersoonlijke dialoog die voortdurend in het centrum wordt gevoerd.” Punt uit.

Voor het overige wil mevrouw Tempel er, geheel in de geest van de karmelietessen, het zwijgen toe doen. Behalve dan dat in de krant moet dat er nog veel geld nodig is. Ten eerste om het klooster af te bouwen, en ten tweede om bij het centrum nog een hotel met 120 bedden te bouwen.

Dat laatste lijkt echter wat megalomaan. Niet omdat de hotelaccommodatie in Oswiecim zo riant zou zijn, ze is dat allerminst. Maar meer omdat belangstellende toeristen die het vernietigingskamp bezoeken meestal niet de neiging hebben om er langer dan strikt nodig te blijven. Want bij elke trein die je in Auschwitz ziet dringen zich alleen maar beelden van verschrikkingen op. Die doem is nooit meer uit te wissen, ook niet door de bouw van een goed katholiek hotel met uitzicht op het kamp.